50

Val van Babylon, wee, wee, gij grote stad

Openbaring 18: 1- 24

Hierna zag ik een andere engel afdalen uit de hemel, die had geweldige macht, en de aarde werd overstraald met zijn heerlijkheid. En hij schreeuwde met luide stem: Gevallen, gevallen is Babylon de grote, geworden een woonplaats voor demonen en een gevangenis van alle onreine geesten, en een gevangenis van alle onrein en hatelijk gevogelte, omdat alle volken de toornwijn van haar hoererij gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar hoereerden, en kooplieden van de aarde aan haar ongehoorde weelde zich verrijkten.

En de ene machtige engel hief op een steen als een grote molensteen, en slingerde die in de zee, en sprak: Zo zal, met een zulk een zwaai, weggeslingerd worden Babylon, de grote stad, en nimmermeer zal ze gevonden worden. En de stem van de harpspelers en de zangers, en de fluitspelers, en de bazuinblazers, zal nimmermeer in u gehoord worden, en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden, en het geluid van de molen zal nimmermeer in u meer gehoord worden, en het licht van de lamp zal nimmermeer schijnen in u, en de stem van de bruidegom en de bruid zal nimmermeer gehoord worden in u; want uw kooplieden waren de machtigen van de aarde, want door uw toverdrank werden alle volken verleid en in u werd het bloed van profeten en heiligen gevonden, die geslacht werden op aarde.

En ik hoorde een andere stem uit de hemel spreken: Gaat weg, mijn volk, van haar opdat u niet deelachtig zult worden aan haar zonden en van haar plagen niet mee ontvangt, want haar zonden stapelen zich op tot aan de hemel, en God heeft zich bezonnen op haar vergrijpen. Vergeldt haar, gelijk ook zij heeft vergolden, en verdubbelt het haar naar haar werken. De beker, die zij gemengd heeft, mengt haar dubbel! Zoveel zij pronkt in heerlijkheid en zwelgt in weelde, zo veel gebiedt haar ook kwalen en lijden. Want in haar hart spreekt zij: Hier troon ik als koningin, en weduwe ben ik toch niet en rouw ervaar ik nimmer. Daarom zullen op één dag komen haar plagen: dood, en lijden, en hongersnood, en met vuur zal zij verbrand worden; want van gestrenge kracht is de Heer en God, die haar heeft geoordeeld.

Verheug je over haar, o hemel, jullie heiligen en jullie apostelen, en jullie profeten, want Gods gericht over haar is voltrokken vanwege jullie.

En zij zullen wenen en weeklagen de koningen van de aarde, die met haar hoereerden en zwolgen, wanneer zij toekijken op de rook van haar brand; ver afstaand uit vrees voor haar kwelling, en zij zullen roepen: Wee, wee, gij grote stad Babylon, gij geweldige stad! Nu kwam in één uur uw strafgericht.

 En iedere stuurman, en iedere kustvaarder en de schepen en allen die op zee bezig zijn, veraf staan ze en roepen, toekijkend op de rook van haar brand: Waar is een gelijke aan deze stad, de grote? En zij werpen stof op hun hoofden en ze roepen wenend en jammerend: Wee, wee, de grote stad, waarin rijk werden van haar rijkdom allen die schepen in de zee hebben, en zij werd in één uur verwoest!

En de kooplieden van de aarde wenen en treuren over haar, omdat hun scheepsladingen niemand meer koopt; ladingen van goud en zilver, edelstenen en paarden, en balen van purperzijde en scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren gerei en allerlei gerei uit hardhout en staal en ijzer en marmer, en kaneel en rookwerk, mirre en wierook, en wijn en olie, meel en tarwe, en runderen en schapen, paarden en wagens en lichamen en zielen van mensen. De kooplieden van al deze waren, die van haar rijk zijn geworden, veraf zullen ze staan, uit vrees van haar kwelling, wenend en jammerend. Wee, wee, gij grote stad, aangekleed met fijne gewaden, en purper en scharlaken en verguld met goud en edelstenen en paarlen! Het werd in één uur verwoest die rijkdom zo groot.

Hierna zag ik een andere engel afdalen uit de hemel, die had geweldige macht, en de aarde werd overstraald met zijn heerlijkheid. En hij schreeuwde met luide stem: Gevallen, gevallen is Babylon de grote, geworden een woonplaats voor demonen en een gevangenis van alle onreine geesten, en een gevangenis van alle onrein en hatelijk gevogelte, omdat alle volken de toornwijn van haar hoererij gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar hoereerden, en kooplieden van de aarde aan haar ongehoorde weelde zich verrijkten.

En ik hoorde een andere stem uit de hemel spreken: Gaat weg, mijn volk, van haar opdat u niet deelachtig zult worden aan haar zonden en van haar plagen niet mee ontvangt, want haar zonden stapelen zich op tot aan de hemel, en God heeft zich bezonnen op haar vergrijpen. Vergeldt haar, gelijk ook zij heeft vergolden, en verdubbelt het haar naar haar werken. De beker, die zij gemengd heeft, mengt haar dubbel! Zoveel zij pronkt in heerlijkheid en zwelgt in weelde, zo veel gebiedt haar ook kwalen en lijden. Want in haar hart spreekt zij: Hier troon ik als koningin, en weduwe ben ik toch niet en rouw ervaar ik nimmer. Daarom zullen op één dag komen haar plagen: dood, en lijden, en hongersnood, en met vuur zal zij verbrand worden; want van gestrenge kracht is de Heer en God, die haar heeft geoordeeld.

En nadat de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, wilde ik ze schrijven; echter ik hoorde een stem uit de hemel, die sprak: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen spraken, en schrijf dat niet!

En de kooplieden van de aarde wenen en treuren over haar, omdat hun scheepsladingen niemand meer koopt; ladingen van goud en zilver, edelstenen en paarden, en balen van purperzijde en scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren gerei en allerlei gerei uit hardhout en staal en ijzer en marmer, en kaneel en rookwerk, mirre en wierook, en wijn en olie, meel en tarwe, en runderen en schapen, paarden en wagens en lichamen en zielen van mensen. De kooplieden van al deze waren, die van haar rijk zijn geworden, veraf zullen ze staan, uit vrees van haar kwelling, wenend en jammerend. Wee, wee, gij grote stad, aangekleed met fijne gewaden, en purper en scharlaken en verguld met goud en edelstenen en paarlen! Het werd in één uur verwoest die rijkdom zo groot.

En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, sprak opnieuw met mij, en zei: Ga, neem het geopende boekje in de hand van de engel, die daar op de zee en op de aarde staat! En ik trad toe op de engel, en vroeg hem, mij te geven dat boekje.

Verheug je over haar, o hemel, jullie heiligen en jullie apostelen, en jullie profeten, want Gods gericht over haar is voltrokken vanwege jullie.

En de ene machtige engel hief op een steen als een grote molensteen, en slingerde die in de zee, en sprak: Zo zal, met een zulk een zwaai, weggeslingerd worden Babylon, de grote stad, en nimmermeer zal ze gevonden worden. En de stem van de harpspelers en de zangers, en de fluitspelers, en de bazuinblazers, zal nimmermeer in u gehoord worden, en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden, en het geluid van de molen zal nimmermeer in u meer gehoord worden, en het licht van de lamp zal nimmermeer schijnen in u, en de stem van de bruidegom en de bruid zal nimmermeer gehoord worden in u; want uw kooplieden waren de machtigen van de aarde, want door uw toverdrank werden alle volken verleid en in u werd het bloed van profeten en heiligen gevonden, die geslacht werden op aarde.

 

 

In de kunst

Openbaring 18: 1- 24


Grande Bible de Tours, Gustav Doré, houtsnede, 1866, Babylon in één uur verwoest