Voor de zevende bazuin klinkt, wordt ons een nieuw beeld getoond. Bij het klinken van de zevende bazuin zal het fysieke lichaam geheel oplossen en het geestelijke deel van de mens zal voortleven. Dat herkennen we in het Manas, de veredelde astrale krachten van ons lichaam, en in de werking van Christus als zonnewezen in ons. Dat is het deel van ons dat zal voortleven op de vergeestelijkte (astrale) aarde, aldus Steiner op 26 juni 1908.

Bock (p.149-170) ziet in de eerste vijf bazuinen een parallel met wat in de oude inwijdingsscholen als de katharsis of reiniging werd gepraktiseerd, terwijl bij de laatste twee bazuinen de photismos of verlichting optreedt waarbij de mens wordt gevuld met ‘de goddelijke inhoud’.

Opnieuw treedt bij de wending in de gebeurtenissen de sterke engel, de niet als zodanig benoemde aartsengel, naar voren die de mens begeleidt in zijn geestelijke wordingsproces door steeds de mogelijkheid te bieden om het onheil af te wenden. Johannes beschrijft hoe de sterke engel afkomt van de hemel en bekleed is met een wolk, en met een regenboog boven zijn hoofd. De zon is als zijn aangezicht en in zijn hand draagt hij een boekje. Zijn benen zijn als pilaren van vuur, waarbij de rechtervoet op de zee en de linkervoet op de aarde is geplaatst. Schult (p.156) ziet in de engel een herinnering aan de Mensenzoon, waarmee de Apocalypse begon. Beiden hebben een aangezicht als de Zon en voeten die gloeien van vuur. De regenboog die de engel omstraalt doet denken aan de tronende Christus die in hoofdstuk 4 werd beschreven. Christus is de zonneleeuw en de stem van de engel lijkt op die van een leeuw. In dit zonnewezen herkennen we de Christuszon die verschijnt als het aangezicht van de aartsengel, als de kracht die, nu de uiterlijke Zon is verduisterd, als geestelijke innerlijke zon een mogelijkheid tot uitredding uit de neergang biedt. In de beide zuilen herkennen we de buitenste zuilen van de Levensboom en in de met de zon bekleedde aartsengel de middelste zuil. Alle tekenen wijzen erop dat we hier te maken hebben met aartsengel Michael, de aartsengel die het aangezicht van Christus wordt genoemd en die hier Johannes zal inwijden in het hogere Ik.

De engel met de rechtervoet op de zee en zijn linker op het land

De zeven kleuren van de regenboog en de zeven donderslagen wijzen op de zeven planeetsferen, aldus Schult (p.157). De beide vuurzuilen waarmee de engel op de zee en het land staat, zijn oude symbolen voor de hemelse dierenriem, de jaarbaan van de Zon. Bij de dierenriem moet hier niet gedacht worden aan de dierenriem van de vaste sterrentekens, maar aan de baan van de zeven planeten, aan de ring met van kracht vervulde ruimten die de Zon en de planeten met elkaar vormen. Hier wordt de kosmische aura van de zeven planeten van het zonnesysteem bedoeld. Dat schouwde men in de twee lichtzuilen. De basis van de beide lichtzuilen werd gevormd door de planeet Saturnus die in de winter periode bij de tekens van Steenbok en Waterman van de dierenriem verblijft. De ene planetenzuil, de zuil van het stijgende licht, voert het winterse Saturnusteken Waterman via de voorjaarsbaan van de Zon omhoog over het Jupiterteken Vissen, het Marsteken Ram, het Venusteken Stier, het Mercuriusteken Tweelingen, tot aan het zomerzonnewende teken Kreeft waarin de Maan heerst. De planeten zijn hier naar de duur van hun omlooptijden om de Zon geordend en de zuil van het stijgende licht wordt gekroond door de Maan en is daarom de Maanzuil. De Maan, het heersende gesternte van de nacht, is nauw verbonden met de waterwereld en het slaapbewustzijn en alle processen die zich in het water afspelen. Daarom rust de rechter vuurzuil van de engel op de zee. Op het moment dat de Maan op het hoogste punt staat in het teken van de Kreeft stijgt deze Maanzuil omhoog aan de westelijke kant van de hemel. De tweede zuil van het vallende licht voert van het winterse Saturnusteken Steenbok door de herfst- en zomer-boog van de dierenriem over het Jupiterteken Boogschutter, het Marsteken Schorpioen, het Venusteken Weegschaal, het Mercuriusteken Maagd tot aan het hoogzomerteken Leeuw, waarin de Zon straalt in juli en augustus. De planeten zijn ook hier geordend naar de duur van hun omlooptijden om de Zon en de zuil van het vallende licht wordt gekroond door de Zon en is een Zonzuil. De Zon als heerseres van de dag is verbonden met het dagbewustzijn en de Aarde. Daarom zegt de Apocalypse dat de linker vuurzuil van de engel rust op de aarde. Wanneer de Zon culmineert in het Leeuwteken in het zuiden stijgt deze Zonzuil aan de linker oostelijke zijde van de hemel omhoog. De Zonzuil en Maanzuil  van de dierenriem stonden als de zuilen Jachin en Boas voor de ingang van het heiligdom van de tempel in Jeruzalem. De boom van het leven en de boom van de kennis in het paradijsverhaal van het Oude Testament zijn onder andere ook symbolen voor de Zon- en Maanzuilen van de dierenriem. Samen vormen beide bomen de wereldsterrenboom, de totale dierenriem. Pas door de verenigng van beide bomen vormen zij de poort naar de tempel. De beide vuurzuilen in de gestalte van de engel vormen de eigenlijke diepte van het Christusmysterie. Daarmee worden licht en duister, geboorte en dood, openbaar en tot één. Voor de ingewijde wordt de dood zelf tot geboorte.

Ook Bock wijst erop dat met het verschijnen van deze aartsengel de omhoog strevende mens bij de drempelovergang naar de geestelijke wereld staat. De aartsengel is voor de mens die zijn lichaam gaat afleggen een drempel- of poortwachter. Tegelijk weerspiegelt zijn gestalte wie de toekomstige mens is. We ontmoeten in hem een herinnering aan de hemelse gestalte  van de Mensenzoon, waarmee de Openbaring begint, en hij wijst het pad dat de individuele mens kan gaan. In de hele verschijning van de aartsengel is uitgedrukt voor welke overgang mens en Aarde staan. Het is een kosmisch beeld waarbij de op de zee en de aarde geplante voeten de overgang aangeven tussen de vaste aarde die gaat verdwijnen en de zee als beeld van de bovenzintuiglijke astrale wereld die de zegel-dragende mens gaat binnentreden. Zijn beide  benen vormen als vurige zuilen de poort waardoor de mens het nieuwe geestelijke leven zal binnen treden.

De opdracht aan Johannes om het boekje op te eten, 14e eeuws tapijt in kasteel van Anjou (foto Remy Jouan)

Bock duidt ook de kenmerken van deze aartsengel als eigenschappen van de verder ontwikkelde menselijke ziel. De wolk, waarmee de engel bekleed is, ziet hij als de uitbeelding van het heldere denken van de mens. De regenboog is een beeld van zijn rijke gevoelsleven en de vurige voeten, die zich in vlammende zuilen voortzetten, tonen de daadkrachtige wil waarmee de toekomstige mens over de aarde gaat. En zijn aangezicht, als de Zon verbeeld, beeldt het menselijke zonne-Ik uit dat denken, voelen en willen ordent en laat samenwerken.

Steiner (GA 346, p.202) noemt dit beeld het meest beduidende dat de huidige mens zich voor ogen kan stellen. In het uit de wolken geboren aangezicht liggen de gedachten die tot het Geestland of Devachan behoren. De regenboog en het daarmee samenhangende gevoelsleven behoort tot de astrale of gevoelswereld, en de vurige voeten die aan de aarde hun kracht ontlenen, hangen samen met de fysieke wereld. Het toont de splitsing van de drie zieleaspecten nu de drempelovergang aanstaande is. Dit is het eigenlijk geheim van onze cultuur: dat er wolkenmensen zijn die alleen kunnen denken, regenboogmensen die vooral hun gevoel hebben ontwikkeld en vurige-voeten-mensen die hun wilsimpulsen als stieren onmiddellijk uitleven. De wolkenmensen zijn meer dominant in Azië, zij missen een gezond ontwikkeld gevoels- en wilsleven, regenboogmensen zijn meer in Europa, en de vurige-voeten-mensen meer in Amerika, waar een ontwikkeld denk- en gevoelsleven vaker wordt ontbeerd. Het splijten van de mensheid door het streven ras en natie te laten domineren is een teken van deze innerlijke grensovergang, die alleen te genezen is door kosmopolitisme, aldus Steiner in 1924 (GA 346, p.206). Een situatie die in de twintigste eeuw leek te worden afgewend door de globalisering, maar die sinds 9/11/2001 en wat daarop volgde weer zeer actueel werd. Alleen door zich te verenigen kan de splitsing van de drie zielsdelen worden genezen voor de mensheid als geheel.

Het boekje

De engel houdt in zijn hand een boekje, dat herinnert aan het eerder nog verzegelde boek dat nu is geopend. Wat zal aan toekomstige ontwikkelingen in dit boekje staan? De zonne-aartsengel Michael, staand op beide zuilen, omstraald door de zeven regenboogkleuren die de planeetsferen spiegelen, doet met het leeuwengebrul de hal van de zeven planeetsferen schudden. De drempelwachter doet een inspirerende roep die wordt beantwoord met een zevenvoudige kosmische echo van donderslagen die naar we kunnen vermoeden de volgende golven van het scheppende woord in gang zullen zetten. Johannes maakt zich al klaar om de inspiraties die hij hoort te noteren, maar nu moet hij dat inzicht verzegelen en juist niet opschrijven. De mysteriën van de eeuwigheid kunnen door de mens wel schouwend ervaren worden, maar niet meegedeeld worden, aldus Schult (p.159). De engel draagt in zijn hand het boek aller boeken, dat het symbool van de dierenriem zelf is. Alle letters waren oorspronkelijk heilige tekens voor de afstanden van de jaarlijkse zonnebaan, de dierenriemtekens. De engel draagt het sterrenschrift van de hemelse dierenriem in zijn hand. Was eerst het boek met de toekomstbeelden verzegeld, nu blijven de inspiraties verzegeld. De aartsengel op de drempel kan echter waarnemen wat zich aandient en dat de tijd waarin de minerale aarde haar ontwikkeling doormaakt tot een einde is gekomen.

Kovacs (p.104-108) wijst erop dat dit boek in het laatste boek van de Bijbel ook verwijst naar het eerste Bijbelboek Genesis. Daar is sprake van twee bomen en de slang verleidt de mens om van de vrucht van de boom van de kennis te eten. Maar wie het boek van de kennis eet die niet tot leven in ons wordt, weet dat deze kennis zwaar op de maag ligt en dat het boek dan verzegeld blijft. Het boek dat Johannes te eten gegeven wordt, is het boek van de evolutie, een pad dat eindigt met wat de Rozekruisers de chemische bruiloft noemen.

Er zal geen tijd meer zijn

Dan heft de engel zijn hand op naar de hemel in een dramatisch en indrukwekkend gebaar. Hij zweert dat er geen tijd meer zal zijn. Ons huidige tijdperk van tijd en driedimensionale ruimte loopt ten einde. Eerst is de ruimte opgelost, tenslotte maakt ook de tijd plaats voor eeuwigheid.  Als de zevende engel bazuinen zal, treedt de nieuwe mens de hemel binnen met daar de tempel waarin God niet langer verborgen is. Zoals het beleven van de ruimte samenhangt met het materiële bestaan, zo hangt het beleven van de tijd samen met de wereld van de groei- en vormkrachten. Dat is waarom het etherlichaam een tijdwezen is, citeert Schult Steiner. Als bij de klank van de zesde bazuin de tijd ophoudt te bestaan wordt het etherlichaam uitgescheiden en in getransformeerde vorm opgenomen in de astrale wereld. De wereld bestaat dan alleen nog uit het astrale en geestelijke. Al houdt de tijd op, in de astrale wereld zijn we nog niet in het bereik van de eeuwigheid beland, dat gebeurt pas in de geestelijke wereld. In de astrale wereld wordt het lot bepaald, het is het gebied van de causaliteit, aldus Schult (p.159). Hier wordt het aardse vanuit het geestelijke omgevormd. Het normale verloop van de tijd keert zich in het astrale om. Morele eigenschappen verschijnen in spiegelbeeld. Hier ziet men eerst de werking, daarna de oorzaak. Hierop berust ook de mogelijkheid van de profetie.

Het opeten van de het boekje

Johannes neemt dan het boekje uit de hand van de engel en eet het op, zoals hem wordt gezegd. Dit verbeeldt de overgang naar het hogere bewustzijn. Het weten dat eerst buiten de mens is, gaat nu van binnenuit zijn werking doen. Op 25 juni 1908 legt Steiner uit dat het boek, het evangelie, de kracht van de liefde vertegenwoordigt. Dat is de kracht die Johannes opeet, zich innerlijk helemaal eigen maakt. Want zoals de Oude Zon de ‘kosmos van de zonnekracht’ vertegenwoordigde, en de Oude Maan als ‘de kosmos van de wijsheid’ wordt aangeduid, zo vertegenwoordigt de Aarde de ‘kosmos van de liefde’.  De mens staat op de beide erfenissen, de beide zuilen van kracht en wijsheid, als hij op aarde zich de liefde eigen mag maken.

Nadat eerst het helderziende en daarna het helderhorende bewustzijn voor hen die zijn ingewijd tijdens de Zegel- en Bazuintijdperken zijn ontsloten, zal nu het intuïtieve bewustzijn in eerste aanleg tot ontwikkeling gaan komen. En al brengt dit nieuwe bewustzijn de mens de zoetheid in de mond van het deelnemen aan het geestelijke leven en het ervaren van de zoetheid van de liefde, tegelijk wordt dan het verblijven in het stoffelijke lichaam tot een kwelling. Hoe hoger de geest stijgt naar de sfeer die boven ruimte en tijd staat, hoe meer het lichaam een kwelling wordt en hoe zwaarder de verantwoordelijkheid gaat drukken om handelend vanuit het geestelijke inzicht te gaan optreden in de wereld.

Johannes ontvangt van de engel het hemelse sterrenschrift als communie (Schult, p.160). Het open boekje dat Johannes ontvangt als hemels manna is dezelfde boodschap als het eeuwige evangelie dat later in hoofdstuk 14 van de Apocalypse als sterrenboodschap aan alle volkeren wordt verkondigd. Hier bereikt Johannes de inwijdingsfase van het Manas, de ziel wordt tot geestziel, het astrale lichaam is gelouterd. De mens wordt zelf tot heilig Godsschriftuur. Het aardse weten wordt tot geestelijk weten, de schorpioen wordt adelaar. Als de zonne-adelaar zijn vleugelslag ontvouwt en de Heilige Geest in het Ik van de mens ontwaakt, heeft de doodsangel van de schorpioen, het lagere ik, zijn macht over de mens verloren. Oneindig bezielend is het ontvangen van het weten van de geest, zoet als honing smaakt het in de mond. Maar als de mens dan deze goddelijke wijsheid zich eigen maakt en er naar leeft, moet hij steeds opnieuw zijn lagere ik overwinnen en al zijn begeertes kruisigen.  Daarom smaakt het boekje bitter in ons leven.

Steiner (GA 346, p.208) legt het opeten van het boekje, als stap in de ontwikkeling van de bewustzijnsziel,  als volgt uit: ‘Vroeger zagen de mensen buiten zich in het sterrenschrift geschreven wat de inhoud was van de oude traditie, de oude wijsheid. Wat in oude boeken was draagt de in drie delen gespleten mens als herinnering in zich … Maar nu is het als levendmakende waarheid voor ons alleen nog te beleven als die waarheidsbron uit ons innerlijk opwelt en we geestelijk leren schouwen. We moeten alles opnieuw leren opmeten vanuit geestelijk gezichtspunt.’