De brief aan de gemeente Laodicea vormt de afsluiting van de zeven brieven en beschrijft  onze opgave in de zevende en tegelijk laatste cultuurperiode (5733 – 7893) van het Na-atlantische tijdperk. Deze zevende cultuurperiode wordt ook wel met Amerikaanse cultuurperiode aangeduid. Als eindtijd van de ontwikkelingen in het vijfde Na-atlantische tijdperk zullen er in de zevende cultuurperiode, waarin het lentepunt van de zon in het dierenriem teken van Steenbok staat, geen grote nieuwe ontwikkelingen meer plaatsvinden.

In deze laatste brief worden er verschillende beelden gebruikt die aansluiten bij het leven in Laodicea. De gemeente Laodicea ligt 60 kilometer ten zuidoosten van Filadelfia. De stad is eeuwen geleden door de bewoners verlaten en ligt niet ver van het tegenwoordige Denizli. Antiochus II (261-246 voor Christus), koning van de Seleuciden, noemde de toen al langer bestaande stad naar zijn vrouw en zuster Laodice. In de stad werden vooral de goden Zeus, Apollo en Asklepius vereerd. Eprefas, een metgezel van de apostel Paulus, zou de christelijke gemeente in Laodicea hebben gesticht. De stad lag langs een handelsweg die, komend vanuit het oosten, zich hier splitste naar Pergamon en Efeze. Laodicea was in die tijd beroemd als kuuroord voor welgestelde Grieken en Romeinen. Ook was het een centrum voor de export van zeer geliefde zwarte schapenwol en bevond zich hier een grote linnenindustrie. Verder kende Laodicea een hoog ontwikkeld bankenstelsel en het vormde een financieel centrum voor de hele provincie Asia. Laodicea beschikt, ook nu nog, over warm geneeskrachtig water afkomstig uit het nabijgelegen Hierapolis (het huidige Pamukkale). Via een Romeins systeem van aquaducten en stromend over terrassen van de heuvelstad bereikt dit de vlakte van Laodicea. Daarbij wordt het kalk, dat in het koolzuurhoudende water is opgelost, afgezet, kleurrijke terrassen vormend. De metafoor van het lauwe water, dat in Laodicea dus veelvuldig voorkwam, vindt hierin zijn oorsprong. Ook was de stad bekend om een genezende oogzalf die hier in de vorm van op scheerzeep lijkende staven werd geproduceerd en over het hele Romeinse rijk werd geëxporteerd. De zalf zou helpen tegen door vliegen veroorzaakte oogaandoeningen. Rond het jaar 60 richtte een aardbeving grote verwoestingen aan, die de stad zonder hulp van buiten wist te herstellen. Evenals bij Filadelfia wortelt de cultuur hier niet in het verleden maar is die op het vrije individu gericht.

Restant christelijke kerk te Laodicea, foto: http://www.hurriyetdailynews.com/church-in-ancient-city-of-laodecia-to-open-to-tourism–73011

Door de ligging en al deze verworvenheden behoorde Laodicea tot de politiek meest vooraanstaande en financieel meest bloeiende steden in Klein-Azië. De uitingen van industrie, medicijnproductie en bankwezen, in combinatie met de verschijningsvormen van het minerale rijk in Laodicea, -de diepe kloven en holtes, de kalkafzettingen-, vormen tekenen dat de leidende planeet Saturnus van het geldende dierenriemteken Steenbok hier werkzaam is (Schult, p.84). Zoals de Maan, die in de eerste cultuurperiode het fysieke beheerst als dit nog in een kinderlijke vormingsfase verkeert, zo beheerst Saturnus in de zevende cultuurperiode de verharding van het fysieke, die bij de ouderdom met de kalkafzettingen gepaard gaat.

Steiner noemt op 25 juni 1908 deze zevende cultuurperiode van minder belang omdat deze geen apart principe van vooruitgang in zich draagt. Het vooruitgangsprincipe ligt in de voorgaande zesde cultuurperiode. Steiner (GA 180, p.192) geeft als thema van deze cultuurperiode aan dat degenen die het geestelijke leven hebben gevonden zich scharen om hun leider, Christus, en zich onderscheiden van degenen die zich van de geest afgewend hebben.

Amen

De aanhef van de zevende brief luidt: ‘Zo spreekt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het oerbegin van de schepping Gods’. Amen betekent in het Hebreeuws ‘waarachtig’ en ‘trouw’, of ‘waarlijk’ of ‘ja, zo is het’ (Schult, 86). De waarachtige voleinding door het eindwezen van God komt door de Amen tot uitdrukking. Voor het cyclische denken van de antieken is Saturnus zowel einde als oerbegin. Saturnus-Kronos is niet alleen de god van de tijd, maar als aeon ook representant van de boven de tijd uitgaande eeuwigheid. Daarom noemt Christus zich hier zowel de Amen als het Oerbegin van de schepping, daarmee verwijzend naar het boven de tijd gelegen waarachtige zijn.

De walging over het lauw zijn

Het is een regel in de Apocalypse dat bij het naderen van het einde alle indrukken zich verhevigen (Schult, p.87). De goede en de boze machten worden naar het einde toe steeds overweldigender. In Filadelfia klonk de hoogste lof. In Laodicea klinkt de scherpste veroordeling: Omdat je lauw bent, koud noch warm, zal ik je uitspugen uit mijn mond. In de afsluiting van het Na-atlantische tijdperk kan niets meer bezielen en blijft elk beschouwen oppervlakkig. Alle inzicht en kennis wordt gerelativeerd. God wordt niet meer ervaren in zijn boven onze wereld uitstijgende heiligheid. Het religieuze leven gaat ten onder in burgerlijkheid, sensatielust en atheïsme. Alle uiterlijke rijkdom van Laodicea kan niet in de plaats treden van de innerlijke leegte.

Goud, witte kleren en oogzalf

Dringend roept Christus de mensen die in de eindtijd van het Na-atlantische tijdperk verkeren op om zich om te keren. Hij gebruikt daarbij drie beelden: goud, witte kleren en oogzalf. ‘Koop bij mij goud dat is gelouterd in vuur, opdat je rijk wordt.’ Laodicea was een rijke stad door zijn bankwezen. Maar het in het vuur gelouterde goud waarop Christus wijst, duidt op het goud van gelouterde hart- en liefdeskrachten. Het is het Rheingold waarover Richard Wagner spreekt in zijn opera Der Ring des Nibelungen. En witte kleren opdat men de schande van je naaktheid niet ziet. De witte gewaden die de wol- en linnen industrie in Laodicea vervaardigt zijn onwaardig in vergelijking met de witte klederen die Christus aanbiedt en die een beeld zijn van het door wilskracht gereinigde lichaam, aldus Schult (p.88). En zalf om je ogen te zalven, opdat je ziende wordt. Christus reikt het vermogen om geestelijk te zien aan, dat het aardse menselijke denken reinigt en transformeert in bovenzintuiglijke kennis en goddelijke wijsheid.

De bijzondere opdracht van Sardis was het ontwaken van het bewustzijn van de geest, het doorlichten van het denken. In Filadelfia gaat het om het doorlichten van het voelen. En in Laodicea kan het willen doorlicht worden en de geest tot in het fysieke werkzaam worden.

Ik sta voor de deur en klop aan.

Opnieuw wordt in deze brief het beeld van de deur gebruikt. Zie ik sta voor de deur en klop aan. Zo iemand mijn stem zal horen en de deur open doet, tot hem zal ik binnengaan en het maal met hem gebruiken en hij met mij. Bij de vorige brief duidde de geopende deur op het openen van ons hart voor de anderen en het bovenzintuiglijke. Hier zien we dat dit nog niet betekent dat wij de laatste verslotenheid van ons hart openen voor de Christus, voor hem die voor ons een nieuwe toekomst opent, aldus Bock (p. 68). Schult (p.89) ziet hierin de intiemste tekst uit de zeven brieven waarin het diepste éénworden van het fysieke menselijke wezen met de Vadergod wordt aangekondigd. Het kleine groepje van de mensheid dat deze weg gevonden heeft sluit zich, volgens Steiner, aan bij het ‘eindwezen’ waarin alles samenkomt en die hier met de ‘Amen’ wordt aangeduid. Die mens zal met Christus de hemelvaart meemaken en door het met hem zitten op zijn troon deelnemen aan zijn volmacht om mee te scheppen aan de toekomstige wereld van het nieuwe Jeruzalem.

De strijd van allen tegen allen

Tenslotte wijst Steiner  erop dat de voorbereiding op de inwijding die met deze zeven brieven wordt beschreven een oefening is waarbij we de werking van de geest op het fysieke plan leren zien. Daarbij hebben we te maken met een inwijding van de wilskracht, die ook nu nog kan worden aangevuurd door het beeld van de zeven sterren en de zeven geesten Gods die ons de menselijke evolutieweg wijzen. Steiner (GA 104a: 94) vermeldt dat het Na-Atlantische tijdperk zal eindigen in de strijd van allen tegen allen, een strijd op ziel niveau. Deze strijd zal gevoerd worden door de zielen die zich in de materie hebben verstrikt en in steeds meer verdichte lichamen leven. In de zevende cultuurperiode zal er weinig te bespeuren zijn van de verfijnde oude Indische cultuur van de zeven Rishi’s. Er zijn in deze cultuurperiode weinig mensen die voor het geestelijke warm lopen, evenmin zijn zij enthousiast over het zintuiglijke bestaan. Als er maar weinig mensen zijn die in de materie verstrikt zijn gebleven, zal deze cultuurperiode slechts kort duren. Degenen die in de zesde cultuurperiode hun ziel gelouterd hebben zullen in deze zevende cultuurperiode niet meer incarneren, maar, na de strijd van allen tegen allen, een nieuwe cultuur grondvesten in het Zegeltijdperk, dat op het Na-atlantische tijdperk volgt.

De voorbereiding op de eigenlijke inwijding

Schult (p.94) ziet de zeven brieven binnen het geheel van de Apocalypse en de inwijding als de fase van de catharsis, waarna in de hoofdstukken 4 tot 16 de fase van de verlichting volgt. Door de zeven brieven ervaren we een loutering van alle zeven geledingen van de mens. Bock (p.72) vat samen dat de zeven brieven een boek op zich zijn en een handleiding vormen voor het werken aan onszelf. Ze zijn stappen ter voorbereiding door zelfkennis en ontwikkeling van deugden op de eigenlijke inwijding (Dullaart, p.45). Maar tegelijk houden de zeven brieven ook een reflectie in van het geheel van de zeven ontwikkelingsfasen van Aarde en mens, zoals we verderop zullen zien. Het vergezicht is dat de hemelse mens zal zitten met Christus op de troon van de Vader. Na alle voorbereiding zal het troongezicht het eerste zijn dat de gelouterde mens te zien krijgt over zijn oorsprong en toekomst.

Zie ook voordracht van Dr Wolfgang Peter:  https://www.youtube.com/watch?v=xw9z8soFQqw