De zevende brief aan de gemeente Laodicea bracht ons bij het beeld van de troon van God en refereerde daarmee aan het bereiken van een hoger bewustzijnsniveau, een hoger geestelijk gebied. Dit deel van de Openbaring toont wat dan zichtbaar wordt. Johannes kreeg al een voorproef hiervan met het overwelddigende beeld van de Mensenzoon in  tekstfragment 3. Nu is hij na een rondgang op een zelfde punt van hogere ervaring aangekomen. De troon van God is de centrale plek van handeling waarover de Openbaring telkens weer vertelt. We komen hier een stap dichter bij de oorsprong van de uit- en inspiralende evolutieronden, bij wat in de Openbaring wordt genoemd de Albeheerser, in wie ruimte, tijd en de levensrivier hun wortels vinden. In het gebied boven ruimte en tijd, de eeuwigheid, komen verleden, heden en toekomst samen in het Zijn. Dat realiseren we ons hier nog niet volledig, maar zal steeds duidelijker worden bij de cyclische gang door hogere bewustzijnsniveaus die wacht.

De poort

Eerst staat Johannes, en met hem de mens die de inwijding zoekt, voor een geopende poort naar de hemel, waarachter hij nog niet kan zien. Schult (p.95) noemt dit moment  de meest betekenisvolle drempelovergang in de Apocalypse. De stem als van een bazuin, de stem van Christus, aldus Schult, leidt Johannes verder omhoog om hem te tonen wat zal volgen na de zeven cultuurperioden die het fysieke bestaan reflecteren. Nu wordt Johannes vervuld van de Heilige Geest. Met het hogere bewustzijn kan hij, na in de geest opgestuwd te zijn, beelden in de hemel waarnemen. Vervolgens zal hij ook vanuit de hogere vermogens van het vernemen van het woord van God (de inspiratie) , en het deel hebben aan de scheppende gedachten van de goddelijke wezens zelf (de intuitie), ervaringen hebben. Volstaat bij het eerste visioen van de Mensenzoon dat Johannes zich omdraait, nu moet hij opstijgen tot boven tijd en ruimte. Hij staat op de drempel van de hemelpoort. Een veelheid van tekens wordt ons hier getoond die elk een diepe achtergrond kennen. Sommige daarvan zijn nog steeds te herkennen in de ordening zoals die vanuit de esoterische scholen in de organisatie van ons dagelijkse leven is aangebracht met het aantal uren van dag en nacht, de namen van de dagen van de week, het aantal maanden van het jaar, etc. Met het zien van deze beelden en hun diepere achtergronden kunnen we eerst overweldigd worden en verward raken. Maar uit de aanvankelijke verwarring wordt gaandeweg de harmonie van een groots schouwspel zichtbaar.

 

 

Troongezicht van Johannes te Patmos, uit Triptiek van de mystieke bruiloft van de heilige Katharina van Alexandrie, Hans Memling, 1479; https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Hans_Memling_067.jpg

De troon van God

De zeven gemeenten werden getypeerd door de zeven planeten, maar dit nieuwe geestgebied van de troon wordt gekenmerkt door de beeldsymbolen van niet alleen de planeten, maar ook de dierenriemtekens, de vaste sterren en het verdere universum. Johannes neemt een troon waar en daarop is gezeten Eén. Bij het eerdere beeld dat Johannes waarnam was sprake van Eén, die de Mensenzoon gelijk was. Hier ontbreekt die toevoeging, maar staat er in plaats daarvan dat deze in aanzien gelijk was aan de steen jaspis en de steen sardonyx en een regenboog was om de troon die leek op de steen smaragd. De troon is het middelpunt van het beeld en degene die op de troon zit wordt hier aangeduid met de kleuren van edelstenen. De edelstenen zijn een verwijzing naar het intuïtieve  bewustzijnsniveau, de hogere mentale wereld, waar de groepszielen van de kristallen zijn te vinden, zoals die van de planten in de lagere mentale wereld en die van de dieren in de astrale wereld verkeren. Alleen bij ons mensen is het bewustzijn geïncarneerd in de fysieke wereld. Bock (p.80-81) en Schult (p.96) typeren de kleuren van de edelstenen als wit en rood en daarmee de tronende als de oerbron van het licht dat zich uitspreidt als licht en warmte, als geest en ziel, als wijsheid en liefde. De eerste cirkel of band om dit centrum wordt gevormd door een regenboog van kleuren die oplicht als een smaragd. Daarmee staat de levenwekkende groene kleur van smaragd centraal die de middelste kleur is van de zeven kleuren van de regenboog. De tronende zelf laat zich door de stralingen zien. Wit, rood en groen duiden op de drieheid geest, ziel en lichaam of denken, voelen en willen (Schult, p.96). Wit glanst het licht van de Heilige Geest, rood straalt de liefde van de Zoon en groen is de dragende grond van de Vader. In dit hoofdstuk van de Openbaring wordt tevens een afdruk van de tijd getoond. Steiner wijst erop dat de regenboog symboliseert dat er na Atlantis een tijd op aarde is aangebroken dat de mens zijn aardse omgeving voor het eerst kan gaan waarnemen, dat de zon door het eerder aanwezige dichte wolkendek gaat breken en daarmee de regenboog voor het eerst als fenomeen gaat optreden en voor de mens zichtbaar wordt. Het duidt op het kerngebeuren van de Na-atlantische tijd waarin de mens een Ik-bewustzijn gaat krijgen. In het bewustzijn van de mens gaat voor het eerst de zon op. Maar dat blijft op dit moment van de Openbaring nog een omfloerst geheim dat in het hart van de troon op onthulling wacht. We krijgen eerst iets te horen over de gebeurtenissen die aan dit moment zijn vooraf gegaan. Iets verder verwijdert van het lichtcentrum op de troon is er namelijk een grotere cirkel of band van 24 tronen waarop 24 oudsten zijn gezeten die witte gewaden dragen en op hun hoofden gouden kronen. Wie zijn deze oudsten en waar staan zij voor? Al de elementen die Johannes beschrijft zijn afspiegelingen van het grootse plan waarin de mensheidsontwikkeling is ingebed. Als we nagaan wat deze symbolen betekenen wordt dat duidelijker.

De 24 oudsten

De oorsprong van het Zijn wordt, voor wie het pad van de wijsheid gaat, omgeven door 24 hoog ontwikkelde wezens (Steiner, GA 8, p.120). In zijn voordrachten van 22 en 27 juni 1908 gaat Steiner dieper in op de herkomst van de 24 oudsten, de aeonen, de leiders van de tijdenronden. Elke oudste is een mensengestalte die vanuit een eerdere fase in de mensheidsontwikkeling op ons terugblikt en inmiddels tot een hoger wezen is geëvolueerd. Om dit te begrijpen moeten we de zeven incarnaties van de Aarde in gedachten nemen. Steiner duidt die, in het verlengde van hindoeïsme en theosofie, ook wel aan als zeven bewustzijnstoestanden die de mens doorloopt, gaande van trance-, naar slaap-, droom- en  wakker bewustzijn, en in de toekomst naar helderziend, helderhorend en helderwetend bewustzijn. Die stappen hebben we eerder aangeduid met de planeetnamen ‘Oude Saturnus’, ‘Oude Zon’, ‘Oude Maan’, Aarde, ‘Nieuwe Jupiter’, ‘Nieuwe Venus’ en ‘Nieuwe Vulcanus’. De bewustzijnsontwikkeling in zo’n planeetincarnatie of -metamorfose wordt telkens weer in zeven kleinere stappen voorbereid. Zo kende de Saturnus-incarnatie van de aarde zeven levenstoestanden of ‘regulatoren van de tijd’, wat eveneens het geval is bij de Oude Zon- en de Oude Maan-incarnaties. Van de huidige Aarde- incarnatie zijn er inmiddels drie van dergelijke levenstoestanden doorlopen en verkeren wij nu in de vierde levenstoestand, de minerale. Achter ons liggen dus 3×7=21 plus 3, is in totaal 24 levenstoestanden. Deze 24 levenstoestanden die achter ons liggen worden hier aangeduid als de 24 oudsten. De oudsten vertegenwoordigen dus de hoge wezens die leiding gaven aan de achter ons liggende evolutieronden. Zij zijn regeerders van de mensheidsontwikkeling.

In onze taal is het volgens Steiner overigens lastig om de goede woorden te vinden om te omschrijven waarvoor deze levenstoestanden staan. Hij duidt ze ook aan als ‘rijken’. Hij omschrijft ze voor onze huidige vierde planeetincarnatie als respectievelijk het eerste elementrijk (enigszins vergelijkbaar met de warmteverschijnselen), het tweede elementrijk (vergelijkbaar met de lucht- en lichtverschijnselen), het derde elementrijk (vergelijkbaar met de vloeistofverschijnselen), het mineralenrijk (de huidige vaste stoffen toestand), het latere plantenrijk, het latere dierenrijk en het latere mensenrijk. Deze omschrijvingen voor onze vaste Aarde zouden overigens niet passend zijn voor de eerdere planeetincarnaties, bijvoorbeeld  omdat zich daar geen vaste materie voordeed.  Verder wijst Steiner erop dat wij wel menen een goed beeld te hebben van het mineralen-, planten-, dieren- en mensenrijk maar dat dit maar zeer ten dele het geval is. Wij kunnen met ons huidige bewustzijn eigenlijk alleen het minerale rijk doorgronden en daarmee ook alleen het minerale aan de planten, dieren en mensen. Vanuit de minerale krachten kunnen wij  gebouwen en machines construeren. Maar de krachten die planten laten groeien doorzien wij nog niet, evenmin als de nog hogere krachten van voelen en bewustzijn. Daartoe krijgen we in de verdere toekomst pas toegang.

Met de 24 wordt ook verwezen naar het getal 12 dat wij in een etmaal tweemaal doorlopen: overdag doorlopen we in 12 uur de buitenkant van de gebeurtenissen en ’s nacht de binnenkant ervan. De twaalf komt ook terug in de twaalf maanden van het jaar. In de maanden van het aardejaar vinden we een reflectie van alle tijdskringlopen (Schult, p.97). Met 12 wordt de volheid en het grote geheel aangeduid, de dierenriemtekens aan de sterrenhemel, de ridders in de tafelronde van Arthur, de discipelen van Jezus, etc. In zijn voordracht van 22 april 1907 te München herinnert Steiner (GA104a, p.22) eraan dat het getal 12 ook verwijst naar de Lemurische tijd toen Zon, Maan en Aarde nog verenigd waren en niet de draaiing van de Aarde om de Zon de maat voor de tijd was, maar de rondgang van deze verenigde lichamen door de dierenriem. De dierenriemtekens heetten daarom het hemelse uurwerk. Omdat een scheppingsdag (Manvantara) wordt afgewisseld door een scheppingsnacht (Pralaya) neemt een  rondgang door een Manvantara en Paralya vierentwintig ‘hemelse uren’.

De zeven geesten voor Gods troon

Johannes neemt niet alleen een beeld van de troon waar, hij hoort ook donderslagen en stemmen, die het als bliksemschichten verschijnende licht begeleiden. Schult (p.97) ziet hierin opnieuw een uiting van de goddelijke drie-eenheid. In de bliksemschichten schijnt het licht van de Geest, in de stemmen spreekt het huiveringwekkende scheppende woord van de Zoon, en in de donder openbaart zich de Vadergod. En dan noemt Johannes zeven als vurige lampen stralende geesten en een glazen zee voor de troon. Steiner legt in zijn voordracht van 22 juni 1908 uit dat deze zeven geesten de Elohim of lichtgeesten (Geesten van de vorm) zijn die de ontwikkeling van de mens tijdens de vierde aarde incarnatie leiden. Deze lichtgeesten staan boven de drie engelen hierarchieen (Archai, Aartsengelen en Engelen). De zeven lichtgeesten belichamen de zeven scheppingsgeesten van het bijbelse scheppingsverhaal en de zeven gaven van de Heilige Geest (Schult, p.98). Zij drukken de zeven planeettypen uit en de opbouw van de mens. Een voorbeeld hoe hun leiding plaatsvindt, vermeldt Steiner. Eerst zijn Zon, Maan en Aarde aan het begin van de vierde planeetincarnatie nog met elkaar verenigd. Door inwerking van deze zeven lichtgeesten worden dan de kosmische verhoudingen zo ingericht dat de mens in het juiste tempo zich kan ontwikkelen. Eerst wordt de Zon van de nog met elkaar versmolten blijvende Aarde en Maan gescheiden. Zes lichtgeesten trekken zich terug op de Zon waardoor de mensheidsontwikkeling, die anders te snel zou verlopen, op de Aarde-Maan wordt afgeremd. Daarop dreigt echter de mensheidsontwikkeling te sterk te gaan vertragen waarop de zevende lichtgeest, bekend onder de naam JHVH (Jahveh), de Maan van de Aarde scheidt, waarna deze lichtgeest zich terugtrekt op de Maan. Zo regelen de zeven lichtgeesten vanuit Zon en Maan de verhoudingen op Aarde opdat de mensheid zich in het juiste tempo kan ontwikkelen.

De glazen zee

De troon van de Mensenzoon rust op een glazen zee. Dat werd in de traditie de kristalhemel genoemd. Dante duidt deze sfeer in de Divina Comedia aan als de negende sfeer die zich welft boven de sferen van de vaste sterren en de planeten en alleen nog wordt omvat door de sfeer van bovenruimtelijke eeuwigheid, het empyreum.

De kristalhemel is de eerste ruimtelijke sfeer onder het bovenruimtelijke eeuwigheidsbereik van God. Het is een wereld van zuivere kristallijne vormkrachten (Schult, p.99), die de archetypen van alles wat ruimtelijk bestaat in zich draagt. Hier gaan Bewustzijn in Zijn, Liefde in Beweging en Willen in Ruimte over.

De glazen zee geeft aan dat nu voor het eerst het vaste minerale tevoorschijn komt. Het nieuwe element van de vierde Aarde incarnatie is de wereld van de kristallen. Al klinkt het verwarrend, maar na de 7 bewustzijnstoestanden of planeetincarnaties enerzijds en de 7 levenstoestanden anderzijds, onderscheidt de esoterische leer nog een derde uit zeven stappen bestaande laag die wordt aangeduid met ‘vormtoestanden’. We zien hierin de uitdrukking van de drie-eenheid Bewustzijn, Leven en Vorm. Het minerale rijk kent ook weer zeven zogenaamde vormtoestanden (arupa, rupa, astraal, fysiek, plastisch, intellectueel, archetypisch). De huidige of vierde vormtoestand, die onderdeel uitmaakt van de levenstoestand van het minerale rijk, is de fysieke vormtoestand. Na onze huidige fysieke vormtoestand volgen er nog drie andere, voordat de minerale levenstoestand ten einde loopt. De toekomstige levenstoestanden na de huidige minerale heten zoals gezegd resp. plantenrijk, dierenrijk en mensenrijk. Dus de klok van zeven aarde incarnaties (of bewustzijnstoestanden) kent een sneller lopende klok per bewustzijnstoestand van zeven levenstoestanden en deze is per levenstoestand weer opgebouwd uit een nog sneller lopende klok van zeven vormtoestanden. En elke vormtoestand is weer opgebouwd uit een nog weer sneller lopende klok van zeven tijdperken. In het huidige minerale rijk, en daarbinnen de fysieke vormtoestand, leven we nu in het vijfde of Na-atlantische tijdperk. En elk tijdperk kent een (kosmisch gezien) supersnel lopende klok van zeven cultuurperioden van elk momenteel ca. 2160 jaar. Wij leven nu in de vijfde of Germaans-Angelsaksische cultuurperiode. Met het voltooien van de cultuurperioden, en vervolgens van de nog resterende twee tijdperken, zal daarna de fysieke vormtoestand eindigen en al het minerale plastisch worden, evenals de glazen zee.

Overzicht evolutie aarde en mens uit Kees Zoeteman (Gaiasofie, p.75)

De vier dieren om Gods troon

Vervolgens vermeldt Johannes dat er in en rondom de troon vier dieren zijn die lijken op een leeuw, kalf, mens en adelaar. Met deze vier dieren worden we bepaald bij de belangrijkste vier van de twaalf dierenriemtekens: Leo, Taurus, Aquarius of engelmens en Scorpio of adelaar (Dullaart, p. 48-51). Zij zijn de hoeders van de vier wereldhoeken, de vier ruimterichtingen. Zij vormen een vierkant in de cirkel van twaalf tekens waarbij het Lam het centrum is, de kwintessence. Op de beroemde kathedraal te Chartres is bij het voorportaal ook een beeld van dit troongezicht met de vier apocalyptische dieren te vinden. Zoals de 24 oudsten de leiders van alle tijdskringlopen zijn, zo vertegenwoordigen de vier apocalyptische dieren alle ruimteverten (Schult, p.97).

De troon met de 4 apocalyptische dieren boven de hoofdingang van de kathedraal te Chartres, ca. 1140; foto: Kees Zoeteman

Steiner legt uit dat de vier dieren verwijzen naar de bewustzijnstoestand die de mensen in de Atlantische tijd hadden, toen zij  -anders  dan nu- meer geestelijk wakker waren tijdens hun slaap en zich opgenomen voelden in hun groepsziel. Overdag verbleven zij in hun nog weke lichaam, waar in de zeer nevelachtige omgeving fysiek weinig waar te nemen viel. De mensen hadden in het midden van de Atlantische tijd nog geen individualiteit zoals wij nu, maar bestonden voornamelijk uit vier groepen. Binnen een groep leken de mensen nog erg op elkaar en hun plastische lichamen waren nauwelijks te onderscheiden van hun gelei-achtige omgeving. De vier dieren staan voor vier dominante groepszielen waar respectievelijk het hoofd (de arend), de borst (de leeuw), de buik (het kalf of de stier), dan wel de combinatie van die drie (een op de huidige mens lijkend dier) overheerste. In Oslo legt Steiner (GA 104a, p.76) uit dat de stiermensen als eerste zich verdichtten en hun lichamelijkheid vormden. De leeuwmensen, waarbij het etherlichaam domineerde, waren het meest agressief en op krachtontwikkeling gericht. Een derde groep had het astrale lichaam het meest ontwikkeld, deze groep was de voorloper van de latere mens. Daarnaast was er een vierde groep die al hun ik hadden gevormd waardoor zij over de anderen heersten, de adelaarmensen. Bij de stiermensen was de spijsvertering het meest ontwikkeld, bij de leeuwmensen het hart en de bloedsomloop, bij de adelaarmens de zintuigen, terwijl de voorloper van de huidige mens meer een balans tussen deze drie vormen bewaarde.

Bock (p.87-91) verduidelijkt dat de vier groepszielen die deze mensengroepen leidden hoge geestelijke wezens waren. Zij zijn vertegenwoordigers van de eerste hiërarchie van Thronen, Serafijnen en Cherubijnen, in wier schoot in die tijd de mens nog verkeerde. Een teken hiervan is dat de vier wezens vol ogen zijn. Het zijn dezelfde vier wezens die samen de Egyptische sfinx en de Babylonische cherubs vormen, die gekenmerkt worden door een achterlijf als een stier, de borstpartij van de leeuw, de vleugels van de adelaar en het hoofd van de mens. In de cherubs uit het Ezechiel (1:10) visioen zijn ook stier, leeuw, adelaar en mens samengevoegd. Macrokosmisch vormen zij de hemelse mens, microkosmisch de aardemens (Schult, p.97). Ieder van deze vier hoge wezens bereidde een toekomstig aspect van de mens voor. De Cherubijn met de adelaarsgestalte bereidde in de mens het denken voor, degene met de leeuwgestalte bereidde voor het vermogen tot voelen, de krachten van het hart, en degenen met de gestalte van de stier bereidde in de mens het vermogen tot willen voor. En de vierde groepsziel bereidde voor dat deze drie vermogens eens in de toekomstige mensen kunnen samenklinken als denken, voelen en willen onder leiding van de mens als Gods evenbeeld, het onsterfelijke Gods-Ik in de mens. De mens voelt zich in deze tijd nog niet een individu maar behorend tot zijn familiestroom die teruggaat tot aan de door zo’n hoog geestelijk wezen overschaduwde aartsvader. Uit die nog ik-loze fase ontstaat een toenemende identificatie met het steeds vaster wordende lichaam waarin de mensen leven en daarmee met hun eigenheid. Daarna wordt door de komst van de Messias het Ik-bewustzijn in de mens gelegd waardoor de mens als individu zich los gaat maken van zijn familiebanden. De liefde die de mensen voor hun familieleden leerden voelen, zou zich nu verder gaan ontwikkelen tot een universele liefde voor alle mensen uit alle families en alle naties. De Ik-fase wordt uitgedrukt door het Lam. Eerst was de Leeuw koning, maar wanneer het lentepunt van de Zon in het nieuwe dierenriemteken van de Ram komt, neemt de Leeuw de de gestalte aanneemt van het Lam dat zich vrijwillig offert om de opwaartse beweging van de schepping weer mogelijk te maken.

Het goddelijke karakter van deze dieren is aangegeven door de zes vleugels die zij elk hebben naast de vele ogen die voortdurende bewegen, als spiegels van hun hogere bewustzijn. De kristalhemel, waarop de troon rust,  dragen zij op hun vleugels (Schult, p.98). De Cherubijnen, zoals beschreven in Ezechiel,  bewegen zonder zich te wenden naar alle vier wereldrichtingen. Iedere richting is voor hen vooruit, want zij hebben de ruimte overwonnen.

Van ruimte en tijd naar eeuwigheid

We leren over degene die op de troon zit door de eer die de wezens aan hem bewijzen en door de beschrijving van zijn scheppingsdaden. Maar de Ene zelf zien we nog niet. Die zal meer zichtbaar worden naarmate wij mensen ons bewustzijn vergroten waardoor onze ogen en oren opengaan voor de scheppingsbron van al wat bestaat en voor wie we zelf kunnen zijn in de toekomst. Met het geheel van het visioen van de troon zijn we als lezers niet meer in de kosmische ruimte, maar in het bovenruimtelijke en boven de tijd uitgaande eeuwigsheidsbereik van God. God overstijgt niet alleen de wereld, hij is de kosmische mogelijkheid van haar bestaan. (Schult, p.100)