Het troongezicht opent een nieuwe ronde van gebeurtenissen die gaan over het ontzegelen van het boek dat de Ene op de troon in zijn rechterhand houdt. In het zevenvoudig verzegelde boek staat de weg naar de hoogste wijsheid opgetekend (Steiner, GA 8, p.120). De zegels duiden op de eeuwige wereldgedachten. Om deze verzegelde goddelijke wereldgedachten te openbaren moeten de zegels verbroken worden. In het boek in de rechterhand van de Tronende ontsluit zich het mysterie van de verlossing van de mens en het offer van Christus (Schult, p.103).

Boek met zeven zegels, St. Antonius, Potsdam, Babelsberg, Altaarruimte met mozaiek van Egbert Lammers (1942) „Die Anbetung des Lammes“; Bron: commons.wikimedia.org/w/index.php?title=User:Liebermary&action=edit&

Het Zegeltijdperk

Ons huidige Na-atlantische tijdperk eindigt, zoals Steiner het noemt, met ‘de strijd van allen tegen allen’, van heftig botsende ego’s en meningen. De mens zal hierna een ander uiterlijk voorkomen hebben (Steiner, 21 juni 1908), waarbij op zijn gezicht direct af te lezen zal zijn of hij goede of kwade bedoelingen heeft. De mensen zullen in hun hele lichaams- en gebarentaal een afspiegeling zijn van wat er in hun ziel leeft. Op 25 juni 1908 voegt Steiner daar aan toe dat wat nu in de gevoelswereld, de astrale wereld, door de helderziende kan worden waargenomen, in het nieuwe tijdperk voor iedereen uiterlijk zichtbaar zal zijn. De mensen zullen zich na Laodicea in twee stromen scheiden, een zich vergeestelijkende mensheid en een mensheid die zich daarvan afgekeerd heeft. De wortel voor deze splitsing in de mensheid ligt in de zelfliefde. De impuls hiervoor gaat uit van Lucifer, de als verleidende slang in Genesis uitgebeelde geest. Deze luciferische invloed werkt vanaf ca. 800 voor Christus op de zich ontwikkelende ziel van de mens, als tegenover de zelfliefde nog niet het grote universele liefdesprincipe van Christus geplaatst kan worden (GA 104a, p.78). De impuls tot de broederliefde komt van de Christus die incarneert precies in het midden tussen de catastrofe van de ondergang van Atlantis en de strijd van allen tegen allen, waarmee het Na-atlantische tijdperk eindigt. Elk individu strijdt in de laatste periode met elk ander individu en slechts een klein deel van de mensheid ontwikkelt in zich de samenbindende broederliefde die een opwaartse ontwikkeling geeft. Hoe dit doorwerkt in het zesde grote tijdperk, dat op het Na-atlantische volgt, zal gaan blijken bij het openen van de zegels. Dit zesde tijdperk wordt daarom ook het Zegeltijdperk genoemd.

Het verzegelde boek

Het verzegelde boek omvat Gods plan voor de wereldontwikkeling, de zin van de geschiedenis. In de oudheid vergeleek men vaak het hemelgewelf en de sterren, de macrokosmos, met een geopende boekrol. Het samengerolde en verzegelde boek stond voor de microkosmos, de mens (Schult, p.103). Voor de zondeval rustte de mens in God en de kosmos rustte in de mens. Alle sferen van de kosmos stonden open voor de mens. Toen was de mens nog een hemelse mens. Het boek was nog niet verzegeld. Maar door de val uit de hemelhoogten is de mens zijn kosmische bewustzijn verloren, het hemelboek werd opgerold en zevenvoudig verzegeld. Alle zeven sferen in de hemel zijn hem nu ontoegankelijk geworden. Als de mens weer de geest in zich ontwikkelt en een levendige aansluiting terugwint met zijn ware oeridee, de mens in God, kan de mens in de kosmos terugkeren (Schult, p.103). Maar hoe kan die terugkeer in beweging worden gebracht?

Hemel, op en onder de aarde

In dit tekstdeel komt een wereldbeeld naar voren dat ons niet vertrouwd is. Er is sprake van een hemel en een aarde, maar ook van een onder de aarde gelegen sfeer. Deze drie lagen herinneren ons eraan dat wij leven in een gebied tussen licht en duisternis, tussen lichtheid en zwaarte, en juist in dit gebied is er vrijheid om te kiezen tussen beide.

Het openen van het boek

Bock (p.90) wijst erop dat dit deel van de Apocalypse aangeeft hoe eerst een stagnatie lijkt op te treden. De mens is niet op een pad dat omhoog is gericht. Zal alles nu mislukken? Er lijkt niemand te zijn die het boek met de zeven zegels kan openen na afloop van het Na-atlantische tijdperk opdat de duur van het tijdloze over kan gaan in een hernieuwd wordingsproces van de tijd. Tot dat moment heeft zich een dramatische spanning in de kosmos opgebouwd. Johannes voelt de smart van het niet stromen van de schepping en weent. Zelfs in de lichtwereld is er geen wezen dat de zegels van het boek kan openen. De sterke engel, – volgens Schult (p.104) wordt hier opnieuw op Michaël geduid -, drukt het goddelijke wilsbesluit uit om wat dreigt te stagneren weer in vloeiende beweging te brengen.  Alleen de liefdesimpuls van de Christus, de Zonneleeuw, de zonnegeestmens, is in staat om de zeven zegels open te breken en ons mensen weer een opwaarts gerichte toekomst te geven. Door het afdalen van het Zonnewezen, de Messias, naar de aarde is het ware wezen, de mens in God, weer binnengetrokken in mens en wereld. De Zonneleeuw uit de stam Juda spreekt: ‘In de wereld heb je angst, maar wees getroost, ik heb de wereld overwonnen’ (Johannes 16:33).  Als Lam dat door het leven-dood mysterie is gegaan, opent Christus het boek.

Voor het toenemen van ons zelfbewustzijn in de Na-atlantische tijd hebben wij de prijs betaald dat de geestelijke wereld voor ons verduisterde. Door het verworven zelfbewustzijn in dienst te stellen van de liefdeskrachten die van Christus uitstromen zullen nieuwe geestelijke waarnemingsorganen in ons geopend worden en kunnen we als zelfbewuste wezens de toegang tot de lichtwereld herkrijgen. Door de transformerende kracht van het offer van het lagere ik ten gunste van het hogere zelf zal voor ons het levensboek geopend worden en staan wij op in de geestelijke wereld. Niemand kan voor ons de keus maken wat te doen. Dat is de unieke daad die aan ieder zelf is. Het is aan ons om ons te verbinden met de Christus impuls en zo het verzegelde boek te openen. ‘Boek’ moet hier gelezen worden, aldus Steiner, als kroniek, een levensboek waarin de hoofdgebeurtenissen van de elkaar opvolgende cultuurperioden in het volgende Zegeltijdperk worden beschreven.

Leeuw en Lam

Na de afdaling vanuit de zonnesfeer in het aardse leven, en de opstanding van Christus uit het materiële bestaan, is het beeld van alleen de Leeuw niet meer passend. Naast de Leeuw verschijnt nu het Lam. Het Lam is het beeld van de Zoon van de Vadergod, het staat voor de kosmische liefde die offerbereid is, zonder dat daartoe voor zichzelf een noodzaak is. Schult (p.105) wijst erop dat de Messias zowel de zonneleeuw is, de zegevierende held en koning, als het offerlam, de lijdende dienaar van God. Hij is zoon van koning David én zoon van de als slaaf verhandelde Jozef, om in Oud Testamentische termen te spreken. De Zonneleeuw, die de macht van de duisternis overwint, kan op aarde niet als Leeuw maar slechts in het beeld van het Lam met de offerwond verschijnen. Het Lam is het teken van het zonder zonden zijn en kan juist daarom de aardemensheid en de aarde verlossen. De mens kan offeren door een dwangmatige dood, waaraan wij allen tenslotte onderhevig zijn, te vervangen door een vrijwillige. Maar Christus heeft als Zonneleeuw geen deel aan de noodzakelijk dood en zijn waarlijk vrijwillige offerdood als Lam maakt de weg vrij voor de mens om weer herenigd te worden met God (Schult, p.106). De magische macht om dood en stagnatie te overwinnen ligt in de goddelijke daad van het zichzelf offeren en het schenken van de liefde (Bock p.94).

Het lentepunt van de Zon komt rond de tijd van Christus’ incarnatie van het sterrenbeeld van de Stier, vereerd in bijvoorbeeld de Egyptische mysteriën, in dat van de Ram of het Lam. In deze tijd begint het dagbewuste denken onder de Grieken, Joden en Romeinen. Het ik-bewuste denken toonde zich bij de Romeinen in het recht en de staatsinrichting, bij de Grieken in de filosofie en wetenschap en bij het Joodse volk in de religie. Met de ik-kracht komt de mens volledig los van God. De godenschemering breekt door (Schult, p.106). Uit het eerdere beeldbewustzijn ontstaat het abstracte denken in begrippen. De mens moet kiezen tussen het ik of God. Maar met de komst van Christus die de mens zijn ware Gods-Ik schenkt, zijn God en het ik geen tegenstanders van elkaar meer. Christus zegt: ‘Ik en de Vader zijn één.’ Het zich verenigen van de krachten van hoofd en hart maakt dat het denken weer met goddelijk leven wordt vervuld.

Met de Ram begint de dierenriem en met de Ram beleeft de natuur in het voorjaar zijn opstanding en de stralende opkomst van de Zon. In de gestalte van de mens staat de Ram voor het hoofd en is deze een uitdrukking van de Ik-zin (Schult, p.106). De Ram vertegenwoordigt zowel het ik-bewuste aardse denken als het goddlijke geest-Ik van Christus. De Ram kan bok en lam zijn, lager en hoger Ik.

Zeven ogen en zeven hoorns

Het Lam heeft in deze tekst zeven ogen en zeven hoorns. Het getal zeven herinnert aan de zeven lichtgeesten, de Elohim  voor de troon. De zeven ogen wijzen op de volheid van Gods wijsheid en de zeven hoorns op de volheid van de macht van God (Schult, p.108). Door de offerende liefde openbaart zich de Zoon, door de wijsheid de Heilige Geest en door de macht de Vadergod. Zo wordt het Lam tot beeld van de hele goddelijke drie-eenheid. Uit de handen van de tronende scheppergod  ontvangt het Lam het boek van de kosmische evolutie, het boek van de mens. Het Lam draagt de leiding over de ontwikkelingen in de tijd en tevens zorgt het voor het evenwicht tussen de geestelijke impulsen, verbeeld door de zeven ogen, en de wijze waarop deze in de materie vorm aannemen, verbeeld door de zeven hoorns. Deze hoorns representeren de door de verdichting ontstane menselijke organen. Het Lam is het vijfde dier bij de troon, dat als het hoogste te voorschijn komt in de Na-atlantische tijd. Vanaf hier leidt het de mensheid omhoog, terug naar zijn geestelijke oorsprong.

Steiner (GA104a, p.20) geeft nog een andere betekenis van de zeven ogen en de zeven hoorns, door te wijzen op het occulte teken voor het Lam, waarin deze kenmerken ook zijn verwerkt.

   

Occult teken voor het mystieke Lam, bron: https://anthrowiki.at/Datei:Mystisches_lamm.gif

De zeven hoorns zijn de zeven hoeken in het teken en in deze hoeken zijn de zeven ogen als de namen van de planeten getekend. Het Lam omvat alle zeven planeetgeesten die de aarde omvormen en het menselijke leven beïnvloeden. De weekdagen zijn naar dit teken vernoemd.

Een nieuw lied

Daarop zingen de engelen in de hemel een nieuw lied. Tienduizend maal tienduizenden en duizend maal duizenden engelen zingen het nieuwe lied. Dat wil zeggen dat een nieuw scheppend woord gesproken wordt waaruit een nieuwe wereld zal ontstaan. Duizend is het getal van het grote wereldjaar. Tien is het getal van de eeuwigheid en de goddelijke voleinding. De Kabbala kent 10 sefiroth en Dante beschrijft 10 sferen. De tiende sefira is Malkut, het rijk van Gods tegenwoordigheid waarin alle sefiroth samenklinken. De tiende sfeer van Dante is het empyreum, de vuurhemel van de eeuwige God. De tiende letter van het Hebreeuwse alfabet is de Jod, de oereenheid van alle letters en van alle sterrenbeelden (Schult, p.110). De inhoud van het nieuwe lied is dat God en de Ik-mens tegenstanders waren in de oude tijd. In de keizertijd kwam het tot een vergoddelijking van het menselijke ik. In Christus wordt het Ik weer open voor God (Schult, p. 109). Het nieuwe lied verkondigt de openbaring van God in het vrije Ik van de mens.

De zeven krachtstromen van de sterrensferen

Alle engelen hiërarchieën zingen vervolgens over de zeven hemelse gaven die stromen: de wereldmacht, de rijkdom, de wijsheid, de sterkte van het Ik, de waardigheid van de ziel, het licht van de geest en de kracht van het levenschenkende zegenen. Schult (p.110) herkent hierin de getransformeerde en gelouterde krachtstromen die van de zeven planeetsferen uitgaan. Wereldmacht van Saturnus, rijkdom van Jupiter, wijsheid (als Manas) van Mars, sterkte van het Ik van Zon, waardigheid van de ziel van Venus, licht van de geest van Mercurius en de kracht van het zegenen van Maan.  Maar, aldus Schult, Christus is meer dan een centraal kosmisch wezen. Door Christus krijgt de mens deel aan het bovenkosmische innerlijke leven van de hoogste godheid. Het oerbeeld van de mens is vrij van de macht van de tijd en van alle tijdritmen en kosmische processen en heeft zijn centrum in God zelf.

De vierheid van het geschapene

In het slot worden de Tronende en het Lam, de schepperlogos en de verlossende god, die in waarheid één zijn, geprezen door de hele schepping. Met de wereld van het geschapene was in de oudheid het getal vier verbonden, dat tevoorschijn treedt hetzij als vuur, lucht, water, aarde of als mens, dier, plant en steen of als zuid, oost, west en noord, etc. In de Apocalypse worden hier de vier groepen van geschapen wezens genoemd, de wezens in de hemel, op de aarde, in het water en onder de aarde. Zij zingen de Schepper en Verlosser de vier geestkrachten toe die overeenkomen met de onderste planeetsferen, en de vier onderste wezensdelen van de mens, van fysiek lichaam tot het Ik: de kracht van het zegenen (Maan), het licht van de geest, (Mercurius), de waardigheid van de ziel (Venus) en de leidersmacht van het Ik (Zon) (Schult, p.111).

Met deze beloften wordt begonnen aan het ontzegelen van het boek.  De zegels zullen laten zien wat ons belemmert om deze weg naar inwijding en openbaring van de geestelijke wereld te gaan. Alles wat zich aan morele en intellectuele krachten in ons bevindt zal met de zegels worden onthuld en zichtbaar worden op ons voorhoofd. (Steiner, GA 104a, p.109)