Bij het openen van het zesde zegel, waarin de cultuurperiode van Filadelfia doorwerkt, wordt ons, na de in ons innerlijk plaatsvindende gebeurtenissen, een blik vergund in wat er in de verdere toekomst in de buitenwereld gaat plaatsvinden: het verdwijnen van de uiterlijke kenmerken van de ons vertrouwde materiële wereld. De komst van het zevende zegel en het Bazuintijdperk worden hier al voelbaar. Een grote transformatie zet in. De Zon wordt zwart als een haren zak en de Maan wordt als bloed. Steiner duidt deze tekenen als het oplossen van het materiële en het overblijven van een kosmisch wezen waarin de geestelijke krachten waaruit onze schepping voortkwam nog in elementaire vorm aanwezig zijn. Maan en Zon zijn ook verwijzingen naar de twee voorgaande aarde incarnaties waaruit de huidige is voortgekomen. Hun verdwijnen is een signaal dat de vierde incarnatie van de Aarde ten einde gaat lopen. We belanden op een punt waar het fysieke verdwijnt en alleen het geestelijke als kiemkracht voor de toekomst overblijft. Wat nu niet is voorbereid, kan niet meegaan naar de volgende ontwikkelingsfase. De verdere neergang van hen die (nog) niet gered kunnen worden, wordt hier geschilderd. Voor hen gaat het uitzicht op het goddelijke schrift in de sterren verloren, dat boek wordt opgerold. Zij verbergen zich in grotten en spelonken, nog dieper kruipend in de materie, aldus Bock (p. 118-120).

Opening of the sixth seal: the great earthquake, 1250-1260, Getty Apocalypse, London,  http://www.getty.edu/art/collection/objects/3051/unknown-maker-the-opening-of-the-sixth-seal-the-great-earthquake-english-about-1255-1260/?dz=0.5000,0.5715,0.59

Schult (p.124) ziet van het fysieke bestaan na het openen van het zesde zegel alleen dat overblijven dat kan bestaan in de sfeer van het etherische zijn. Hier kan alleen nog bestaan de kosmos die gevormd wordt door het geestelijke, astrale en etherische. Zon en Maan verliezen hun schijn, de vaste sterren storten neer, de hemel wordt opgerold. Van het beeld van het boek dat wordt opgerold gaat een huiveringwekkende werking uit. Het duidt op een onomkeerbaarheid van het wegnemen van de vrijheid die er eerder was. Vrijheid om voor het eigen of het universele belang te kiezen. Nu vlucht de hoogmoedige mens voor de goddelijke toorn die hij steeds heeft weggehoond. Hij beseft dat het goddelijke liefde was die hem in alles omringde. Plotseling  vallen hem de schellen van de ogen en hij wil zich verbergen voor de keerzijde van deze liefde die als toorn ons tegemoet komt.

Het oplossen van het fysieke bestaan is voor de totale kosmos een gebeurtenis die zal intreden aan het einde van het Zegeltijdperk. Voor elke afzonderlijke mens treedt dit al op bij zijn dood. Maar ook kan deze neerstorting van de sterren en het verbleken van de lichten aan de hemel, het ineenstorten van de bergen en de rotsgronden van de aarde, als een bewustzijnstransformatie binnen de mensheid worden begrepen, aldus Schult (p.124). Als het inzicht van de mens geheel aards is geworden en de laatste resten van het bovenaardse schouwen wegsnellen, wordt de natuur geheel ontzield. Het geestelijke wezen van Zon, Maan en sterren is dan verduisterd. De mensheid leeft in de totale duisternis van het uiterlijke bestaan. En de hemel is geweken als een boekrol die opgerold wordt.

Engel rolt de hemel op, fresco in Saint Cyril’s Church, Kiev, 12de eeuw (bron: briefkaart ter beschikking gesteld door Mieke Kerssens, november 2019; http://www.encyclopediaofukraine.com/display.asp?linkpath=pages%5CF%5CR%5CFrescopainting.htm)

Alleen het licht van de Heilige Geest van God, dat opgaat in het innerlijke van het Ik, is nog in staat de wereld te verlichten. Op die manier is de wereld al ondergegaan ten tijde van de Grieks-Romeinse godenschemering. In de opstanding van Christus en in het komen van de Heilige Geest met Pinksteren worden de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zichtbaar, terwijl de oude kosmos vergaat. Zo wordt ook in de zogenaamde kleine apocalypse, de rede op de Olijfberg (Matthéus 24), over de wereldondergang tijdens het leven van de apostelen gesproken.

Als representanten van de ondergaande mensheid op Aarde worden zeven standen genoemd die elk aan een planeetsfeer kunnen worden gekoppeld, aldus Schult (p.125). De koningen kunnen worden verbonden aan Saturnus, de groten aan Jupiter, de legerleiders aan Mars, de rijken aan Venus, de sterken aan de Zon, de slaven aan de Maan, en de vrijen aan Mercurius. De gehele zevengelede mensheid staat in het gericht van God.

De beelden gaan na de opening van het zesde zegel niet vanzelf verder naar die van het zevende zegel. Eerst is er een belangrijk tussenbeeld, waarbij onze aandacht weer terug gevoerd wordt naar de plaats waar alles begint en eindigt, de troon. In dit tussenbeeld wordt getoond welke gebeurtenissen na het openen van het zesde zegel wachten voor degenen die wel de opgang mee kunnen maken. Daarmee wordt ook duidelijk dat met het getal zes de culminatie van de strijd tussen licht en duisternis plaatsvindt. Bij de zes ligt het beslissende moment van elke evolutiecyclus.

Overeenkomsten tussen Kabbala, Egyptische leer, hindoeïsme en antroposofie; mede gebaseerd op www.theosofie.net/onlineliteratuur/geheimeleer/deel2 en https://anthrowiki.at/Sephiroth

Wereld vlgs Kabbala Essentie Wereld volgens Egyptische leer Wereld volgens hindoeïsme Wereld volgens antroposofie
Adam Kadmon Oorspronkelijke mens
Jechida Atmu of goddelijke/eeuwige ziel Atman of zuivere geest Geestmens
Atziluth Wereld van de verhevenheid

(Kether, Binah, Chokmah)

Devachan Verstandswereld (eigenlijke geestelijke wereld)
Chaja Putah of eerste verstandelijke vader Buddhi of spirituele ziel Levensgeest
Briah Wereld van de schepping

(Chesed, Geburah, Tiphereth)

Astrale wereld
Neschamah Seb of voorouderlijke ziel Manas of intelligentie Geestzelf; bewustzijnsziel
Jetzirah Wereld van de vormgeving

(Netsach, Hod, Yesod)

Ether wereld
Ruach Akhu of intelligentie/

waarnemingsvermogen

Kama-rupa of dierlijke ziel Zelfbewustzijn; Verstands-gemoedsziel
Assiah Wereld van fysieke daden

(Malkuth)

Fysieke wereld
Nephesh Khaba Astraal lichaam Astraal lichaam; Gewaarwordingsziel
Coach ha guf Ba Prana Etherlichaam
Guf Kha Rupa Fysiek lichaam

Ook Van Egmond (lezing 10 januari 1995, p.10-13) stelt dat vóórdat de overledene bij het openen van het zesde zegel in de tweede hemel (Jetzirah) komt, in de sephira Hod, het stil wordt, er een pauze optreedt. Hier moeten de meest verborgen gehechtheden, zoals bijvoorbeeld het streven naar spiritueel bezit, worden losgelaten. En als we het niet zelf doen zal het aan ons gebeuren. De rijke die veel bezit kan niet het Koninkrijk der hemelen binnen gaan. Van Egmond ziet daarom een afgrond tussen Hod en de volgende sephira Netsach, zoals er ook een afgrond is tussen de onderste zeven sephiroth en de drie hoogste. Hier wordt de scheiding gemaakt tussen wat tot de persoonlijkheid behoort en tot de ziel. De afgrond is een plaats waar de chaos heerst en pas wie alles kan loslaten komt in een staat van vrede aan de ander kant van de afgrond.