Diego Velazquez, Heilige Johannes te Patmos, 1609-1610, www.nationalgallery.org.uk/paintings/diego-velazquez-saint-john-the-evangelist-on-the-island-of-patmos

Johannes richt zijn schrijven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië, die zijn werkterrein markeren. Maar het zijn meer dan de gemeenten die nabij Patmos liggen, op het bij helder weer vanaf het eiland zichtbare Turkse vasteland. Emil Bock (p.59) noemt ze stille representanten van grotere perioden in de historische mensheidsontwikkeling. En Rudolf Steiner (GA 104, 20 juni 1908 en GA 104a, 10 mei 1909) duidt deze gemeenten als representanten van de zeven cultuurperioden die, na het einde van de laatste grote ijstijd en de ondergang van Atlantis ca. 10.000 jaar geleden, een aanvang namen.

Zeven cultuurtijdperken

De tijdstroom van de Na-atlantische tijd is opgebouwd uit zeven cultuurperioden van elk ca. 2160 jaar, de tijd dat het lentepunt van de zon door een teken van de Dierenriem loopt. Deze zeven cultuurperioden omvatten de oude Indische cultuur, de oude Perzische cultuur, de Egyptisch-Babylonische cultuur, de Griekse-Romeinse cultuur, de huidige vijfde zogenaamd Germaans-Angelsaksische cultuur (1413-3573) en nog twee volgende cultuurperioden, getypeerd als de Slavische en Amerikaanse cultuurperioden. Het geheel omvat ca. 15.000 jaar. De oude Indische cultuur stond in het licht van de heilige Rishi’s en hun verbondenheid met de kosmische wereld van de Dierenriem. De oude Persische cultuur kenmerkte zich door de leer van goed en kwaad. licht en duister, die we ook terugvinden bij Zarathustra. De Egyptische cultuur is doortrokken van de leer van Hermes Trismegistos. En in de Grieks-Romeinse tijd zijn er de grote ingewijden in de Joodse cultuur zoals de profeten Elia en Jeremia en de grote Griekse filosofen zoals Socrates, Plato, Aristoteles, en de Romeinse Seneca en Plotinus. Steiner wijst erop dat het kunnen gewaarworden in de tijdstroom door Johannes van de zeven cultuurperioden een gevolg is van de eerste inwijding, die de wereld van de gevoelens (de astrale wereld) en het imaginatieve bewustzijn opent. Later in de Apocalypse (hoofdstuk 17: 10) wordt ook in deze richting van zeven cultuurperioden gedoeld, waar sprake is van zeven ‘koningen’ die elkaar in de tijd opvolgen.

Voor ons lezers representeren de zendbrieven aan de zeven gemeenten de tijd van voorbereiding door studie, het leren kennen van de impulsen in onszelf en het reinigen van onze ziel zodat we klaar worden voor de eerste inwijding in de wereld van de beelden, de astrale of gevoelswereld (Dullaart, 31).

Hij die is, die was en die komen zal

In deze kleine proloog van de Apocalypse wordt de inhoud van het hele boek al samengevat, zoals de boom al is vastgelegd in zijn zaad. Het is daarom ondoenlijk hier alle genoemde begrippen volledig te duiden. We moeten grotendeels volstaan met hiervan gewoon kennis  te nemen en erop vertrouwen dat zij hun betekenis al lezende in het boek geleidelijk aan wel zullen ontvouwen. We lezen over het scheppingsplan van God, en van zijn Zoon, de Gezalfde, die boven de tijd staan. Schult (p.25) ziet in de aanduidingen bij de genadegroet, ‘hij die is, hij die was en hij die komen zal’ een rituele omschrijving van de drie-eenheid. Hij die is, de ‘Ik ben’, is het Zoon aspect van de Vader. De ‘Ik ben’ is de openbaring van God in het menselijke Ik en leidt de mens op de weg naar de Vader en naar de Geest van God (Schult, 27). Hij die was, is de Vader zelf. En hij die komt, duidt op de komende trooster, de Heilige Geest. Vader en Zoon zijn één, Vader en Heilige Geest zijn één. In de Zoon zijn Vader en Heilige Geest verenigd.

De troon van God

We lezen verder over het centrum van de schepping, gevat in het beeld van de troon, waar de tijd ontspringt in de zeven geesten voor zijn troon. De troon van de Vader is de plaats waar de Apocalypse ons steeds weer naar terug brengt, het is de tussenruimte die in de spiraal figuur van deze website op de achtste straal is te vinden. De zeven geesten voor Gods troon wijzen, aldus Schult, op de volheid van de Heilige Geest. Zeven is het getal van de tijd, zoals twaalf het getal is van de ruimte. Het getal zeven duidt op de ontwikkeling van de schepping in zeven fasen die een kringloop uitmaken en telkens weer opnieuw zich ontwikkelen en inwikkelen zoals de dagen van de week, die weer zijn opgenomen in grotere ontwikkelingsritmen. Zeven maal zeven weken is (bij benadering) het jaar. En vier maal zeven (vier is het getal dat tussen één en zeven ligt) is (bij benadering) een maand. De zeven ligt zo ten grondslag aan alle kosmisch bepaalde tijdsprocessen.

De Zoon

In deze proloog op de Apocalypse komt het Zoon of Christus aspect van God als centraal thema naar voren. Hij is de eerstgeborene uit de doden, hij is de trouwe getuige, de martelaar. De aanduiding ‘eerstgeborene’ verwijst naar alle anderen die na hem geboren zullen worden uit de dood. Dat zijn wij wanneer we ons verder ontwikkelen. Hij gaat ons voor op de weg omhoog. De mens, de mens als geestkern, is geroepen de dood te overwinnen. Dat is meteen de grote belofte van de Apocalypse. Alleen valt deze vrucht ons niet automatisch en zonder dat daar een ontwikkelingsopgave tegenover staat in de schoot. We hebben als mensen een goddelijke roeping, maar wat zou het realiseren van die roeping waard zijn als we die niet vrijwillig op ons zouden nemen en als we de vaardigheden die daarvoor nodig zijn niet zouden verwerven door bewuste oefening en ontwikkeling? Er zijn geen drugs die ons naar de hemel brengen. Er zijn geen trucjes die ons zonder wakker te zijn naar de geestelijke kant van het bestaan kunnen voeren. Het eeuwige leven is evenmin een kwestie van invriezen en wachten op toekomstige geavanceerde medische ingrepen. Daartoe moeten we door de ervaringen in ons bestaan groter inzicht verwerven in wat zich in ons innerlijk afspeelt. Levenswijsheid, geduld en bescheidenheid, zijn pijlers voor inwijding in plaats van slimheid, overmoed of macht. Liefde is een grotere levenwekkende kracht dan technologie. Wij moeten ons uiteenzetten met tegenkrachten om de wil en het vermogen tot liefde in ons sterker te maken. Die tegenkrachten als ontwikkelingsopgave komen later dan ook in volle omvang aan de orde.

Centraal in dit tekstfragment staat de zin ‘Hij die ons heeft liefgehad en die ons van onze zonden heeft gewassen met zijn bloed en die ons heeft gemaakt tot een koninkrijk, tot priesters van zijn God en Vader, aan hem de heerlijkheid en de kracht van eonen tot eonen’. Een zin opnieuw vol geheimtaal, die we pas gaan aanvoelen na het hele boek gelezen en doorgrond te hebben. De Gezalfde is ons voorgegaan in het liefhebben van elkaar en van al wat leeft. Dat is nog relatief makkelijk te begrijpen. De zin dat hij onze zonden heeft gewassen met zijn bloed is een zin waarin veel esoterische geheimen zich verschuilen. Oppervlakkig gezien staat er:  omdat Jezus Christus aan het kruis is gestorven zullen mij mijn zonden niet meer worden aangerekend. Zo gezien is het makkelijk voor ons. Wat we ook hebben uitgespookt aan diefstal, bedrog, moord en andere misdaden, Christus’ dood heeft dat weg gewist zodat we met een schone lei verder kunnen leven. Een beetje naïef, zal menigeen denken. Maar zo vrijblijvend  is de betekenis van deze zin ook niet, zoals later zal blijken. Christus baant met zijn historische daad, door als zeer hoog ontwikkeld geestelijk wezen in een mensenlichaam te incarneren en zich met het lot van aarde en mens te verbinden zonder dat dit voor zijn eigen ontwikkeling nodig was, in zijn opstanding opnieuw een pad voor ons mensen om ons opwaarts te ontwikkelen. Hoe? Dat komt later aan de orde. Het is aan ons om ons te kwalificeren om daar gebruik van te kunnen maken. Hierdoor ligt voor ieder mens nu voor het eerst de weg open om individueel priester te worden (Schult, 26).

Hij komt met de wolken

In het  zevende vers komt een ander aspect van de Gezalfde dan zijn eerstgeboren zijn uit de dood naar voren: Hij komt met de wolken en alle oog zal hem zien. Bock (p. 30) wijst erop dat hier niet wordt gedoeld op een Christus die de mens komt oordelen, maar op het moment dat in elk van ons aanstaande is. Het is het moment dat de wolken, die de geestelijke wereld versluieren, open breken zodat de Christus in ons ontwaakt. Dit betekent dat het hogere zelf aan het liefdesvuur in ons ontbrandt, en ons barmhartig en inclusief denkend maakt.

En deze evolutieweg van de mens ligt in de hand van Hem die altijd verbonden blijft met het lot van de mens, vanaf het begin van zijn conceptie tot aan de voltooiing van waartoe hij ooit werd geschapen: het vrijwillig schenken van liefde als de hoogste zin van zijn bestaan.

Alpha en de Oméga

Met de slotzin ‘Ik ben de Alpha en de Oméga’ is nog meer aangeduid. Deze twee letters zijn de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. Steiner (GA 346: 46-53) wijst erop dat de letters vroeger niet zo’n dode werking hadden als nu, maar iets dat leeft vertegenwoordigden. Zij vormden samen het scheppende wereldwoord waarin de werking van de goden aanwezig was. Alpha was een herinnering aan het allereerste begin van de schepping van de mens. De letters van het alfabet vertegenwoordigen alle goddelijke aspecten die eerst buiten de mens zijn en die in de eindtijd in de mens zijn gekomen. Als de ontwikkeling van Alpha tot Oméga is doorlopen is de mens gelijk geworden aan God, die eerst buiten hem was in de wereld en tenslotte in hem is. God is tevoren datgene wat de mens later zal worden. ‘In het begin was het Woord’, zo begint het Johannes evangelie en hier wordt in de Apocalypse op hetzelfde scheppende woord geduid als Christus zegt: Ik ben de Alpha en de Oméga. Dit is de oude mysterie taal die in de Apocalypse opnieuw tot klinken komt.