Dit tekstfragment heeft, na de verzegeling van de 144.000, als centraal thema de schare die niemand tellen kan, uit alle landen en volkeren, die verschijnt voor Gods troon en voor het Lam en die hun gewaad wit hebben gewassen door het bloed van het Lam. Het is een vooruitblik op wat bij het openen van het zevende zegel zal volgen.

Het wassen van het gewaad door het rode bloed

Van Egmond (10 januari 1995, p.14) duidt de verzegelden als degenen die gedoopt zijn, waarbij datgene wat de essentie van het bestaan is, en wat niet meer persoonlijk is, wordt behouden. Zij worden wedergeboren. Het getal 144 is ook een symbool voor allen die in staat zijn terug te keren, de weg terug naar hun goddelijke oorsprong te gaan. Immers het dubbele van 144 is 288 en de getalswaarde hiervan komt in het Hebreeuws overeen met een in- en uitademing. Nadat God de schepping heeft uitgeademd wordt deze weer ingeademd, gaan de verzegelde mensenzielen weer de weg terug. Zij hebben hun klederen gewassen in het bloed van het Lam. Zoals eerder aangegeven is bloed het teken van Leven. Zij hebben zich gewassen in het leven van het Lam. Hun leven is niet meer van henzelf. Het spoor van het persoonlijke is verdwenen.

In de uitleg van Bock klinkt dat alleen de mensen die door de school van het lijden gaan, waardoor het hart wordt geopend voor de kracht van de liefde, de nieuwe godsvonk in hun ziel kunnen opnemen. Dit wordt hier aangeduid met het wassen van het gewaad in het rode bloed van Christus tot het wit is. Reed bij het openen van het eerste zegel de ruiter op een wit paard, en reed de tweede ruiter op een rood paard, daarmee de afdalende beweging van de geest verbeeldend, hier is sprake van een tegenovergestelde beweging. Uit het rood van het bloed van de gekruisigde Jezus Christus komt de opstanding voort, waardoor de opgestane mens het witte kleed kan gaan dragen. Daarvoor moet de mens in het eigen bloed niet alleen de tegenkrachten dragen maar tegelijk de liefdeskracht van Christus opnemen. Het symbool van het wassen van het eigen kleed in het bloed van Christus wil hier zeggen dat de eigen ziel wordt gezuiverd door het besluit van de individuele mensenziel. Na dit besluit kan de mens de door Christus vrij gemaakte weg naar de geestelijke wereld terug gaan, vanuit het eigen liefdesbesluit waarin de Christusliefde deze mens mede gaat dragen.

Dullaart (p.57) wijst op de parallel met de plagen in Egypte en de bescherming daartegen wanneer de voordeurpost met het bloed van het lam wordt ingesmeerd waarna de Joden hun Exodus naar het beloofde land beginnen.

De zeven eigenschappen van God

In dit deel is ook sprake van de engelen om Gods troon die lofprijzen. Zij wijzen op zeven eigenschappen van God: de kracht van de zegen, het licht van de geest, de wijsheid, het dankoffer, de waardigheid van de ziel, de wereldkracht, en de sterkte van het Ik. Het zijn de eigenschappen die we kennen als zeven van de sefiroth. In Openbaring 5:12 (tekstfragment 12) klonk er een vergelijkbare lofprijzing. Hier worden de lofprijzingen weergegeven als de planeetkrachten, geordend naar hun polariteiten  (Schult, p.133): de kracht van de zegen (Maan), het licht van de geest (Mercurius), de wijsheid (Jupiter), het dankoffer (Mars), de waardigheid van de ziel (Venus), de wereldkracht (Saturnus) , en de sterkte van het Ik (Zon). Maan en Zon omvatten de hoofdpolariteiten nacht en dag (Mercurus en Jupiter), passiviteit en activiteit (Venus en Mars), dood en leven (Saturnus en Zon). In deze ordening toont zich, aldus Schult, de zonne overwinning van de geest bij de zevende voleindingsfase van het Zegeltijdperk.

De nieuwe mensheid

Van Egmond duidt het getal 144.000 (4 april 1995, p.18) als verbonden met de 12.000 uit elke stam van Israël, dat refereert aan het ‘Oude Verbond’ tussen God en Israël. Maar hier is er sprake van een grote schare die niemand tellen kan, een verwijzing naar het Nieuwe Verbond dat alle volkeren omvat. Johannes wil laten zien dat beide verbonden nu samen komen.

De uitverkoren 144.000 komen in dit tekstfragment aan op een hoger plan (Schult, p.132). Zij vormen de nieuwe mensheid en tonen al de voleinding die met het komende zevende zegel samenhangt. Bij de 144.000 is de kosmos in de mensheid binnen getrokken. De voortuitgesnelde schare die niemand tellen kan is in dit tekstfragment  doorgedrongen in de vuurhemel, het empyreum, het bereik dat boven tijd en ruimte uitgaat, Gods eeuwigheid. Hier is de mens direct voor Gods troon. Johannes komt hier in hetzelfde gebied waar hij schouwend was voordat het boek met de zeven zegels werd geopend. In deze boven-kosmische wereld van het empyreum worden alle kosmische sferen doorzichtig voor de lichtstralen van de wereld logos. Uit deze geesteshoogten daalde de mensheid steeds dieper af onder de hoede van de in die eerste vier zegels uitgebeelde leiders van de planeten. Bij het vijfde zegel begon het nieuwe opstijgen. Bij het zesde zegel is het aantal van de opstijgende uitverkorenen vol geworden. Bij het zevende zegel, zoals dit al aan het einde van het zesde zegel wordt aangekondigd, ontvangen degenen met een wit bruiloftskleed en de priesterlijk aan hun voorhoofd verzegelden, als symbool van de laatste voleinding de overwinnaarspalm. Het witte kleed is symbool voor de verlichting van de Heilige Geest, het zegel aan het voorhoofd staat voor de priesterwijding door Christus, de overwinnaarspalm is het teken van de hoogste eenwording met de Vadergod.