Zoals hiervoor aangegeven, komt er na het klinken van de vierde bazuin een andere beweging op gang die pas echt zichtbaar wordt bij het klinken van de vijfde bazuin. Nu wordt de put van de afgrond geopend waarin het kwaad was verborgen. Door wie? Door de ster gevallen uit de hemel op de aarde. Zien we hier opnieuw Lucifer, die in ons de toegang legt voor de tegenmacht die niet uit de hemel op aarde valt maar uit de afgrond omhoog kruipt? Of duidt de Apocalypse hier op een feit waar Steiner (20 september 1924, GA 346) ook op wijst, namelijk dat Ahriman voortdurend dreigt de orde in het zonnestelsel te verstoren door kometen op de aarde te pletter te laten slaan?

Het kwaad komt uit de diepte en krijgt enige tijd ruimte om te werken onder de mensen die hun verbinding met hun hoger zelf dreigen te verliezen. Een walm kringelt omhoog en verduistert de Zon en verstikt de lucht. En uit deze walm komen sprinkhanen voort, die in hun macht lijken op schorpioenen. Sprinkhanenplagen teisteren de mensen die het zegel op hun voorhoofd niet hebben. Hun werking als sprinkhanen is dat zij wat leeft kaalvreten, het leven weg bijten, en als schorpioenen steken zij de mensen en laten in hen hun gif achter. Hierdoor worden de mensen niet gedood maar ervaren zij zo’n hevige pijn, dat zij de dood begeren. Maar zij kunnen die niet vinden.

Wat een omkering rond het begrip dood vindt hier plaats! De dood is wat de mens tijdens zijn leven op aarde vreest en probeert uit te stellen. We worden steeds ouder en dromen ervan honderd, ja misschien wel duizend jaar oud te worden of eeuwig te leven. Elk onderdeel dat het opgeeft in ons lichaam gaan we in de toekomst repareren of vervangen. Mechanisch of door transplantatie of door gentherapie. Dat we dat in de toekomst kunnen wordt door steeds meer mensen als geloofwaardig gezien. Daarmee wordt de vraag, die indirect in dit fragment van de Apocalypse wordt gesteld, actueel: heeft de dood ook een zegenrijke kant? Natuurlijk als je zo van je lichamelijke lijden af komt. Maar zelfs als je lang gezond blijft, blijven er dan aspecten aan het leven waarvoor de dood uitkomst biedt? Deze vragen krijgen een heel ander antwoord wanneer ze uit niet-materialistisch maar geestelijk perspectief worden gezien. Bij de vijfde bazuin wordt de dood in een nieuw perspectief geplaatst. De pijn toegebracht door de sprinkhanen kent geen einde door de dood. De weg terug naar de geestelijke wereld is voor deze mensen afgesloten.

Bible de Toulouse 1220-1270, Blazen vijfde bazuin, sprinkhanen uit de afgrond, https://www.flickr.com/photos/tonyynot/7557357324

Schult (p.149-153) wijst erop dat wie de opstanding wil beleven eerst de hellevaart in zich moet ervaren. Ook Dante begint zijn Goddelijke Komedie met een hellevaart. Als de vliegende adelaar in het midden van de hemel staat, ligt de onderwereld van de dierenriem, gaande van Schorpioen tot aan Vissen open boven de horizon. Dan stort bij de klank van de vijfde bazuin een ster vanuit de hemel op aarde en opent de bron van de afgrond, de diepten van de hel. De afgrond (Abyssos) is het onderste rijk van de hel. Een schacht voert van daar naar de oppervlakte. Ook aan de sterrenhemel is deze toegang tot de hel onder Schorpioen te vinden in het sterrenbeeld Altaar, Ara, ofwel wierookbekken. Schult ziet de gevallen ster als een luciferisch wezen dat de bron van de walm uit de hel opent. Uit deze rook breken ahrimanische demonen te voorschijn in de vorm van spookachtige sprinkhanen. Zij hebben mensachtige gezichten, ijzeren pantsers, gouden kronen, vrouwenharen, leeuwentanden, vleugels, schorpioenstaarten met stekels waarmee zij de mensen die geen zegel van God op hun voorhoofd dragen vijf maanden lang kwellen. Schult herkent in deze beschrijving van de demonen die van van de Schorpioen-Centaurs die in Babylon en Egypte een samenvoeging van de sterrenbeelden Schorpioen en Boogschutter voorstellen. Op Babylonische grensstenen werden deze Schorpioen-Centaurs met een mensenhoofd of hondenkop afgebeeld. Zij voeren als wapens pijl en boog, hebben machtige vleugels en een schorpioenstaart. Op Egyptische beelden van de sterrenhemel, zoals de dierenriem van Dendera, draagt het als Schorpioen-Centaur afgebeelde wezen de dubbelkroon en heeft lange vrouwen haren. Ook in de Griekse mythologie heet de Boogschutter ‘kroondrager’. In de oudheid gold de Schorpioen-Centaur als de drempelwachter bij de ingang van de onderwereld. Ook in de Aeneas van Virgillius worden Centaurs genoemd als bewakers bij de ingang van de onderwereld. In Egypte is de god met de hondenkop, Anubis, dodenrechter en drempelwachter bij de onderwereld. De Schorpioen-Centaurs aan de poort van de Hades weigeren de goddeloze mensen de toegang tot de onderwereld. Deze drempelwachters kwellen de mensen vijf maanden omdat de onderwereld regio in de dierenriem vijf maandsterrenbeelden omvat van Schorpioen tot aan Vissen. De leeuwentanden bij de drempelwachters hebben een parallel in het vaak met leeuwenvoeten afbeelden van de Schorpioenmensen in Babylon, zoals ook bij de Egyptische sfinx. Als koning hebben de Schorpioen-Centaurs, de sprinkhanen, de engel van de afgrond boven zich, genaamd Abaddon, wat afgrond of hel betekent in het Hebreeuws, of in het Grieks Apollyon, wat staat voor vernietiger. Bedoeld is, volgens Schult, Ahriman, die als demon van de diepte al het levende verhardt en alle inzicht tot de uiterste duisternis verdonkert. De skeletachtige kale sprinkhanen met hun mechanisch werkende snerpende vleugels drukken net zo iets van het wezen van Ahriman uit als de door sprinkhanen  kaalgevreten bomen, die als dode geraamtes langs de weg staan. Ahriman werkt als demon van de aardezwaarte in het bijzonder in het menselijke inzicht. Tegelijk versperren de Schorpioen-Centaurs degenen die gevangen zijn in het verhardende denken de toegang tot de geesteswereld. De door de schorpioensteek getroffen mens is niet in staat de duisternis van het uiterlijke bestaan met licht te doordringen. Hij verteert zijn denken in zijn pogen om door uiterlijk-mechanisch denken de werkelijkheid te begrijpen. Het dorre verstand heeft zoals sprinkhanen al het loof van de boom van het leven afgevreten. Hij is niet in staat om de zin van het leven of de dood te bevatten.

Zoals de vijfde zendbrief naar de gemeente Sardes en het vijfde zegel met de martelaren onder het altaar, een bijzondere verbinding hadden met onze vijfde Na-atlantische cultuurperiode, zo kan ook de vijfde bazuin op onze vijfde Na-atlantische cultuurperiode betrokken worden. De bazuinen schilderen uiteraard allereerst grote kosmische gebeurtenissen in een verre toekomst van de mensheid. Maar tegelijk zijn deze, aldus Schult, de uitdrukking van de innerlijke zielstransformatie van de microkosmos en openbaren zij belangrijke ontwikkelingsfasen in het leven van de enkeling en van een hele cultuurperiode. Bij de zendbrieven bereikt de demonie zijn hoogtepunt in Pergamon waar de troon van satan staat. De omslag tot het geestelijke wordt door de incarnatie van de Christus in de vierde zendbrief aan Thyatira bereikt. Bij de zegels toont zich de hoogste vorm van demonie pas bij het vierde zegel, waar de ruiter op het vale paard wordt gevolgd door dood en hel. En het duurt tot het het vijfde zegel voordat de omslag komt door de overwinning van de dood door de geest te erkennen. Bij de bazuinen bereikt de demonie pas bij de vijfde bazuin het hoogtepunt. En later zullen we zien dat bij de toornschalen de hoogste demonie eerst bij de zesde toornschaal wordt bereikt en de omslag naar het geestelijke zich verwerkelijkt bij de zevende toornschaal. Zo schuiven bij de voortgang van de Apocalypse de ontvouwing van de macht van de demonen en hun overwinning steeds verder op.

Ook wijst Schult erop dat de bazuinen in zijn ogen het centrale deel van de Apocalypse vormen, waarbij de drie laatste bazuinen weer de kern zijn. Aan het begin van de laatste drie bazuinen staat de vliegende adelaar in het midden van de winterhemel. In dit sterrenschrift vinden we het grondthema van de christelijk-johannitische inwijding. De geestadelaar is het symbool voor de overwinning van de dood en alle machten van de hel, het doel van de christelijke inwijding.

Door Steiner (GA 346, p.183-186) wordt nog een ander aspect van de vijfde bazuin belicht. Hij beschrijft de rol van de bazuinen naast hun betekenis voor de toekomst van mens en aarde ook op een ander niveau, namelijk de ontwikkeling van de menselijke bewustzijnsziel. Wat wordt beschreven bij het blazen van de bazuinen is nu al realiteit en beleefbaar in ons innerlijk. Niet in ons astrale lichaam maar in ons ik. Zijn visie op de betekenis van de bazuinen werkt ook door naar de andere bazuinen. Maar hier zullen we stilstaan bij de vijfde bazuin omdat deze uitkomst verrassend is. Als ons bewustzijn zich verheft tot het bovenzintuiglijke zal het de bazuinklanken waarnemen. En dan wordt duidelijk dat we in onze zogenaamde bewustzijnsziel al midden in de tijd van de weeën zijn beland. Steiner vermeldt dat de duur van het blazen van een bazuin op het niveau van onze bewustzijnsziel ongeveer anderhalve eeuw neemt en dat het blazen van de vijfde bazuin zich afspeelde van ca. 1690 – 1840. Het begin van de bazuinperiode plaatst hij ten tijde van de kruistochten, al begint de tijd van de bewustzijnsziel in 1413. Tijdens het blazen van de vijfde bazuin ziet hij het materialisme, in navolging van onder andere Copernicus, die in de periode daarvoor leefde (1473-1543), sterk toenemen. Ook heeft hij een bijzondere uitleg voor de betekenis van de sprinkhanen. Dit symbool staat volgens hem voor mensen met een ahrimanisch bewustzijn dat zich niet verder ontwikkelen kan dan tot dat van een twintigjarige, een leeftijd waarbij de zogenaamde verstands-gemoedsziel wordt geboren. Vervolgens schildert hij hoe liefdevol met hen, die blijvende kinderen zijn, om te gaan.

De tijd van Ahriman, Apollyon, is op dit moment in de evolutie van de mensheid extra werkzaam. Hij is de wachter op de drempel als de mens zijn zelfbewustzijn en vrijheid om te kiezen krijgt. Hij probeert om de mens verder neerwaarts te trekken in de materie op het moment dat hij de geestelijke wereld kan binnentreden. Toch wordt het wezen van deze duistere kracht nog niet geheel onthuld. Dat zal gebeuren aan het slot van het Bazuintijdperk wanneer ons een vooruitblik wordt gegeven op wat daarna gaat komen. Dan komen de ontwikkelingen in een fase waarbij ons bewustzijn in staat raakt om de krachten van licht en duisternis direct te ontmoeten.