Zoals in het Zegeltijdperk het verzegelde boek centraal stond en het Bazuintijdperk zich afspeelde voor het altaar van God, zo naderen we God nog meer doordat het centrale punt van handeling de tempel in de hemel blijkt te zijn. Maar om die te naderen zal het boze overwonnen moeten zijn. Na het overschrijden van de drempel worden  de geestelijke krachten zelf voor ons ervaarbaar, zowel de goede als de tegenkrachten. Isis wordt ontsluierd, zoals dat in de Egyptische mysteriën werd genoemd.

De meetroede voor de tempel

In dit deel van de Openbaring komt als eerste de opdracht ter sprake om de tempel Gods te meten. Steiner wijst er in zijn voordacht van 26 juni 1908 op dat de mens in de huidige tijd bouwt aan zijn innerlijke tempel, het Manas, en wanneer hij de geestelijke wereld betreedt, moet hij bij zichzelf ‘nameten’ of deze innerlijke tempel en het altaar in hem wel in alle opzichten juist zijn geworden. De voorhof hoeft niet opgemeten te worden, want de voorhof verbeeldt het fysieke en etherlichaam dat de mens achterlaat. De heidenen zullen de voorhof vertreden gedurende 42 maanden. Dat is een aanduiding van de zes maal zeven perioden die zullen verlopen totdat de scheiding der geesten zal optreden. Dat moment breekt hier aan na het klinken van de zesde bazuin. De innerlijke tempel is het nieuwe omgevormde astraallichaam dat elke menselijke ziel de nieuwe wereld indraagt en deze in alle mensen gevormde tempels tezamen vormen later de nieuwe aarde, de Jupiter incarnatie van onze planeet, waarop we als verder ontwikkelde mensenwezens met minder verdichte lichamen zullen wonen. In de rietstok die Johannes krijgt om de maten van de tempel op te meten klinkt reeds door wat later zal volgen als hij met een gouden meetroede het hemelse Jeruzalem zal opmeten. Het maakt duidelijk dat de gereinigde menselijke ziel de bouwsteen zal zijn van de toekomstige wereld die met het hemelse Jeruzalem wordt aangeduid. We zien hier in een vooruitblik hoe de nieuwe Jupiter-aarde wordt gevormd. De vruchten die de mensen meebrengen van hun aardetijd verschijnen hier op een geestelijke, omgevormde, wijze. Want de twee vurige zuilen uit het vorige beeld, komen hier in veranderde vorm terug als de twee goddelijke getuigen, de twee olijfbomen en de twee kandelaren die voor de God van de Aarde staan. Zij zijn de dragers van de twee geestelijke stromingen in de cultuur van de mens, die Bock (p.170-178) benoemt als de wetenschap en techniek enerzijds en de religie en kunst anderzijds. In Genesis lezen we al over de boom van kennis en de boom van levenskracht (van goed en kwaad), en nu komen beide zuilen terug waartussen het zonnewezen Christus als de heer van de Aarde staat. We staan hier uiteraard opnieuw voor de Levensboom van de Kabbala. De met beide zuilen verbonden leidende figuren komen we in de joods-christelijke literatuur tegen in Mozes en Elia. Mozes staat voor degene die wijsheid of waarheid brengt en Elia is de profeet die voor de richting wijzende kracht staat en zij beiden ondersteunen het boven hen verschijnende liefde schenkende zonnewezen, aldus Steiner.

Twee getuigen van God en het Beest; Apocalyps, litho voor Luther Bijbel, 1522-1527, Rijksmuseum, Amsterdam, http://iconclass.org/73G363

Maar het beest Apollyon dat opkomt uit de afgrond wil beide geestelijke stromingen in de mens doden. De wetenschap zal een kille wetenschap worden die elke bezieling mist en vervalt tot wat logisch en machinaal kan worden uitgedrukt. En de kunst en religie zullen zwelgen in gevoelens die niet doorlicht worden door de geest, maar door egoïsmen en hartstochten, aldus Bock.

Wanneer we voor de tekstinterpretatie te rade gaan bij Schult (p.163 e.v.) lezen we dat na de geestelijke verlichting bij het ontvangen van het dierenriemboek, zoals beschreven in het vorige tekstfragment, hier de kosmische wijding tot priester volgt. Daartoe vordert Michael Johannes om met een meetroede de tempel Gods, het altaar en zij die in de tempel aanbidden op te meten. De externe voorhof moet er buiten gelaten worden omdat deze samen met de stad Jeruzalem aan het geweld van de heidenen wordt overgegeven. Net zoals bij het zesde zegel de schare van 144.000 verzegeld wordt en bewaard blijft voor het onheil, zo wordt hier na het klinken van de zesde bazuin het innerlijke gebied van de tempel, en van ons eigen innerlijk, met heilige maat omgrensd en uitgespaard. Het meten heeft hier dezelfde bedoeling als het verzegelen bij het zesde zegel. De herodiaanse tempel in Jeruzalem kende een geleding die het menselijke lichaam representeerde. Het buitenvoorhof voor de heidenen vertegenwoordigde het fysieke lichaam, het vrouwenvoorhof het etherlichaam, het binnenvoorhof het astraallichaam. Hier stonden de astrale symbolen van de Zonzuil en Maanzuil van Jachin en Boas en de door twaalf runderen gedagen glazen zee. Het heiligdom vertegenwoordigde het Ik en het Heilige der heiligen het hogere Gods-Ik in de mens. Ook kan in het voorhof het lichaam, in het Heilige de ziel en in het Heilige der heiligen de geest worden gezien. Het weglaten van het voorhof in deze tekst duidt erop dat het fysieke en etherische reeds uitgescheiden is. Zoals na het doorlopen van de zegels het fysieke wordt overwonnen, is dat na de bazuinen voor het etherische het geval.

De twee getuigen

De heilige stad Jeruzalem, -die ligt op de plaats waar de continenten van Azië, Afrika en Europa op elkaar stoten, en waar de drie wereldgodsdiensten van het Jodendom, Christendom en Mohammedanisme hun centrum hebben-, evenals het voorhof van de tempel, zullen 42 maanden vertreden worden door de heidenen (Schult, p.165). In de door heidenen veroverde stad zullen twee getuigen Gods in boetegewaad als boden van de geest werken gedurende 1260 dagen. De 42 maanden en 1260 dagen duiden op hetzelfde, namelijk drie-en-een-half jaar. Het jaar werd daarbij naar de cirkelindeling met 360 graden op 360 dagen gerekend. Drie-en-een-half maal 360 is 1260. Omdat drie-en-een-half de helft is van zeven duidt dit ook op de periode vanaf de komst van Christus tot aan het einde van de zeven wereldjaren. De beide Christus getuigen zullen bij het wereldeinde gedood worden door het beest uit de afgrond en staan dan op na drie-en-een-halve dag, de tijdsduur in dagen van de inwijdingsslaap in de oude mysteriën. De twee getuigen Gods kunnen, aldus Schult, niet twee persoonlijkheden zijn, als zij de hele periode tussen de komst van Christus tot het wereldeinde werkzaam zijn. Het zijn veeleer geestelijke basiskrachten die met de antichristelijke krachten strijden. Zij worden aangeduid als twee olijfbomen en twee kandelaars die voor de Heer van de aarde staan. De twee olijfbomen verwijzen naar Zacharia 4:3 e.v., waarin de beide olijfbomen als de gezalfden worden vernoemd die als dienaren voor de Heer van de ganse aarde staan. Schult (p.167) constateert dat de beide olijfbomen de kosmische levensboom en kennisboom in de dierenriem zijn. De beide sterrenbomen komen overeen met de Maan- en Zonzuil van de dierenriem. De getuige die de macht heeft om de hemel te versluiten, zodat het niet regent, duidt op Elia (zie 1 Koningen 17:1). De andere, die macht heeft water in bloed te veranderen, verwijst naar Mozes (Exodus 7:14). Mozes is de grote wetgever en Elia de grote profeet van het oude Joodse volk. In Mozes leeft de kracht van de Maanzuil, en in Elia de kracht van de Zonzuil. In het Nieuwe Testament worden deze krachten vertegenwoordigd door Petrus en Johannes. Jezus zelf heeft gezegd dat Johannes de Doper de wedergekomen Elia is (Matt. 17:12). En Johannes de Doper is nauw verwant met Johannes de schrijver van de Apocalypse. (Schult, p.170; Von Halle, Die Drei Johannes). Mozes vertegenwoordigt het verleden, Elia de toekomst. Christus is de eeuwige tegenwoordigheid, de openbaring van het eeuwige in de mensen. Mozes beleeft God in de bliksem en donder van de elementen, Elia in het zachte suizen van de wind. Hun vermogens duiden erop dat zij de geest fysiek kunnen materialiseren. Het vuur van het heilige godswoord stroomt uit hun mond en werkt verterend op de demonische machten. Maar de twee getuigen moeten zich gewonnen geven bij de strijd tegen de anti-Christ, die nu eenmaal de Heer van deze kosmos is, aldus Schult (p.168). Er is geen laatste overwinning van de geest zonder kruis en lijden. Wie Christus navolgen, moeten de weg van Christus gaan. Maar hun dood is, net als die van Lazarus, een inwijdingsdood. In de dood zelf vinden zij het eeuwige leven.

Sodom en Egypte

Hun dode lichamen zullen op straat liggen in de grote stad, die geestelijk gezien heet Sodom en Egypte, waar ook hun Heer is gekruisigd. Dit is, zo merkt Schult (p.165) op, de enige tekst in de Apocalypse die rechtstreeks verwijst naar de historische kruisiging van Jezus. Jeruzalem wordt hier in geestelijke zin Sodom en Egypte genoemd. Sodom lag in een maanachtige onderwereld aan de Dode Zee en werd verzwolgen door ahrimanische machten van de diepte. Egypte was het land van het oude zonnemysterie en werd tot het centrum van een luciferische keizercultus. Lucifer en Ahriman is de naam die Johannes aan Jeruzalem geeft na de moord op Jezus Christus.

De aardbeving, getallen 10 en 7

Nadat de twee getuigen zijn opgestaan en ten hemel zijn gevaren, is er een reusachtige aardbeving, waarbij een tiende van de stad en 7000 namen van mensen worden vernietigd. Schult (p.169) wijst erop dat hier voor het eerst de getallen 10 en 7 in combinatie te voorschijn komen. Later zijn het de kenmerken van het beest dat uit de zee opkomt met de zeven koppen en tien hoornen. Zeven is het getal van de planeten. Tien is, onder meer, een in de oudheid gebruikt getal voor de dierenriem, voor de sefiroth, en de tien hemelse en helse sferen. De hemelvaart van de twee getuigen schokt en transformeert de diepten van de natuur. Nu is de verharding door het boze overwonnen.

Deze ontwikkelingen na de zesde bazuin komen overeen met de gebeurtenissen in de zesde zendbrief aan de gemeente Filadelfia waar Christus zegt: ‘ze zullen erkennen die ik jullie heb liefgehad’. Hier bij de zesde bazuin heet het: ‘De overigen werden door schrik bevangen en gaven eer aan de God van de hemel’. Zo wordt de scheiding der geesten zichtbaar.

Van Egmond (10 jan. 1995, p.8) legt dit 30ste tekstfragment als volgt uit. De hemelse essentie, de blauwdruk volgens welke wij (geestelijk) kunnen leven, wordt ons opnieuw aangereikt bij deze overgang van de zesde naar de zevende bazuin. De ziel (Ruach) ontvangt als het ware opnieuw het zegel. Niet zoals de persoonlijkheid de doop ontving, maar hier ontvangt de ziel opnieuw haar oorspronkelijke afdruk. Johannes ontvangt de rietstok, het meetinstrument dat hem later in staat stelt om het hemelse Jeruzalem binnen te gaan. Johannes is hier het symbool van de menselijke ziel. En wij allen zijn in Johannes.

Met het 11de hoofdstuk van de Apocalypse is het midden van het boek, dat 22 hoofdstukken kent, bereikt. Bij het klinken van de zesde bazuin is de toekomst al aanwezig. Met hoofdstuk 12 zet de tweede helft in.