Na het klinken van de zevende bazuin kan de geestelijke mens de 24 oudsten om Gods troon gaan waarnemen en wordt de tempel geopend. De mens wordt een blik vergund op wat in de tempel was verborgen in het Heilige der heiligen, de ark. De ark is bij het joodse volk een kist vervaardigd van acacia hout en van binnen en buiten overdekt met bladgoud (zie bijvoorbeeld Graham Hancock’s ‘The Sign and The Seal: The Quest for the Lost Ark of the Covenant’,1992, Heinemann Publ.). De ark vormde een ontzagwekkend voorwerp. Wie het onterecht in zijn bezit had werd getroffen door ziekte en dood, zoals de Filistijnen ervoeren toen ze de ark een keer hadden buitgemaakt (1 Samuël). Op het gouden deksel van de ark staan twee gouden cherubs en tussen hen verschijnt een lichtende gloed bij de aanwezigheid van God.

Gouden ark van het Verbond, https://www.history.com/news/fate-of-the-lost-ark-revealed

Schult (p.171) herinnert eraan dat met het blazen van de zevende bazuin het Bazuintijdperk tot zijn hoogtepunt is gekomen en de tempel in de hemel wordt geopend, maar dat het ook de opmaat is voor het derde wee, dat wil zeggen dat ook de meest gewelddadige demonische machten naar voren zullen treden. Bij de zevende bazuin is de openlijke machtsovername begonnen van Christus in de hele kosmos, in alle koninkrijken van de wereld. Dit is het tegenbeeld van zijn heerschappij van de koninkrijken in de hemel. Als Jezus door satan, als beschreven in het Mattheus evangelie, wordt verzocht om van God af te vallen, zal hij als beloning van satan alle koninkrijken van de kosmos krijgen. In het Johannes evangelie wordt satan meerdere malen heerser over de kosmos genoemd. Bij het klinken van de laatste bazuin worden rijken van de wereld, de ganse kosmos, aan satan ontrukt. Christus, wiens rijk niet van deze wereld is, wordt dan ook heerser van deze wereld. De 24 oudsten zingen een danklied tot de heerser die was en die is. Nu is zijn titel niet meer ‘die zal zijn’. Immers, er is geen tijd meer, geen toekomst meer. De komst van Christus is geen toekomst meer, maar heden. Het koor van de 24 oudsten zong eenmaal eerder, bij het eigenlijke begin van de Apocalypse toen het Lam de zegels van het boek opende. Dat duidt erop dat hier het harte-midden van de Apocalypse is bereikt. Een derde maal zullen de oudsten zingen aan het slot (Op. 19:4).

Dan opent zich het Heilige der heiligen van de tempel. De zeven zendbrieven aan de gemeenten stellen de buitenste voorhof van de tempel voor en voeren ons langs het boek van de uiterlijke geschiedenis. Met de zeven zegels betreden we het binnenste voorhof waar de beide zuilen van Jachin en Boaz staan en de glazen zee gedragen wordt door twaalf runderen. In imaginaties wordt ons hier het wezen van de zeven planeten onthuld (Schult, p.174). De zegels kunnen het boek van het lot worden genoemd. We zijn hier in het gebied van de astrale wereld. Het offeraltaar bij het vijfde zegel doet denken aan het grote brandofferaltaar in het binnenste voorhof van de tempel. Aan het einde van het Zegeltijdperk wordt de fysieke wereld opgelost. Bij het begin van het Bazuintijdperk betreden we het heiligdom van de tempel. Met het schallen van de bazuinen klinkt de sferenharmonie van de sterrenwereld, de wereld van de scheppende ideeën.  De zeven bazuinen kunnen het boek van de sterren en de oerbeelden worden genoemd.  Steeds machtiger openbaart zich hier het zonnegeest-Ik van Christus in de menselijke ziel. De harte krachten van het voelen worden gelouterd en omgevormd. In het Bazuintijdperk wordt ook de etherwereld opgelost. Door het klinken van de zevende bazuin scheurt het voor het Heilige der heiligen hangende gordijn. Hierna zullen de toornschalen van goddelijke wilskracht zichtbaar worden. De ark in het Heilige der heiligen representeert de vuurhemel Gods en de goddelijke vonk in de mens. Niet meer in beelden of klanken, maar bij het Heilige der heiligen kan de mens God direct ervaren door een intuïtieve wezensvereniging van de mens met God. Maar deze vereniging wordt de mens tegelijk tot een gericht. Jakob Bohme zegt hierover: ‘Het is Gods liefde die zich in het prisma van het duistere element als Gods toorn, als verterend vuur, openbaart.’ Al het onreine wordt in dit goddelijke vuur verteerd, al het dode in de mens wordt levend gemaakt. In de later te beschrijven tijd van de toornschalen wordt ook de astrale wereld opgelost. De toornschalen zijn te zien als het boek van het goddelijke leven, waarbij hemel en aarde zich verenigen.