Zoals bij het begin van de Apocalypse Johannes ons het overweldigende beeld van de Mensenzoon schildert, krijgen we bij het begin van de tweede helft van de Apocalypse, na het klinken van de zevende bazuin, opnieuw een groots beeld te zien dat we nooit meer kunnen vergeten: de zwangere vrouw, bekleed met de Zon, de Maan onder haar voeten en twaalf sterrenbeelden in de kroon op haar hoofd. Nadat de leerling die de inwijding zoekt de drempel van het binnenste van de tempel over mag gaan, wordt het bewustzijn geopend voor de wereld van de oorzaken van wat zich in onze fysieke wereld zal afspelen. We krijgen in grootse beelden inzichten in de krachten van goed en kwaad en het belang dat deze krachten hechten aan het redden of juist wegrukken van de pas geboren menselijke geestkiem, het hoger zelf. We zijn daarbij in de wereld boven ruimte en tijd. Het voortgeschreden deel van de mensheid, dat gekozen heeft voor het Christus principe van de liefde, is de geestelijke wereld binnen gegaan waarin de astrale Zon en Aarde zijn verenigd.

Het thema van de vrouw die het mannelijke kind baart

In zijn voordracht van 16 september 1924 staat Steiner uitgebreid stil bij het beeld van de vrouw, bekleed met de Zon en de Maan onder haar voeten. Hier benadrukt hij dat dit beeld in allerlei mysteriescholen op Aarde in het midden van de Atlantische tijd al werd beleefd. Eerst wordt het zonnewezen beleefd als de vrouw met de Zon bekleed en dan wordt uit dit zonnewezen in het midden van de Atlantische tijd een mannelijk aspect geboren, het Christuskind, dat de ik-geboorte in de mens vertegenwoordigt en aan zijn afdaling naar de Aarde begint (GA 346: p.176, p.317). In het midden van de Na-atlantische tijd komt de Christus op Aarde aan en wordt in een mens geboren bij de doop van Jezus in de Jordaan. In deze periode trekt ook het ik-bewustzijn binnen in de mens, nadat de mens door de priesters hierop in de voorliggende tijd is voorbereid. De Zon ontsteekt in de mens het ik. Voor die tijd was de mens vooral op het vanuit de Zon aangestuurde astraallichaam aangewezen. Met de komst van het ik komt de astrale wereld, vertegenwoordigd door de draak, onder de voeten van de vrouw te liggen. Dan gaan steeds meer aspecten naar de Aarde afdalen, waar de continenten uit de zee beginnen op te rijzen en de overgang naar de Na-atlantische tijd zich aandient.

De vrouw, ‘bekleed met de Zon en de Maan onder haar voeten en op haar hoofd een krans van twaalf sterrenbeelden’ is ook een beeld van de nieuwe fase van het opnieuw verbonden zijn van de vergeestelijkte Aarde met de Zon. Het Christusmysterie is een zonnemysterie. De vrouw is in dit opzicht het beeld van de over de drempel gegane nieuwe mens, die de vertragende maankrachten heeft overwonnen en in wie de versnellende zonnekracht, de Christuskracht, van de scheppende liefde is gaan schijnen. Het beeld van de vrouw weerspiegelt het moment dat de geciviliseerde mensheid als geheel over de drempel heeft te gaan en haar ziel zich in drie delen splitst (Steiner, GA 346, p.202). Dat dit in onze tijd actueel is voor onze bewustzijnsziel kwam al ter sprake bij de engel die Johannes het boekje laat opeten.

Bock (p.182-191) laat zien hoe we in dit deel van de Apocalypse naderen tot wat is te zien als de nieuwe op de toekomst gerichte mythe, waargenomen door de ingewijde Johannes. De jonkvrouw is onder meer symbool voor de wereldziel en de menselijke ziel is hiervan een weerspiegeling. De wereldziel kent net als de menselijke ziel de drie delen van het denken, voelen en willen. De wil, die heerst over het driftmatige, is uitgedrukt in haar staan op de maansikkel. Het voelen van het hart komt terug in het bekleed zijn met de Zon, en het denken is verbeeld in de kroon van twaalf sterren om haar hoofd. De Zon is de aanduiding van het hart van de wereld, zoals ook ons hart is geroepen om te schenken als de stralende zon. Tussen hoofd en voeten is de mens bij het hart in het centrum van zijn wezen. Bij het in deemoed aanschouwen van Maan, Zon en sterrenhemel groeien we onze eigen goddelijke bestemming tegemoet. Anders gezegd, de Zon is de inhoud, en de Maan, die voor onze driftmatige- en wilsimpulsen vanuit het astrale lichaam staat, is het vat of omhulsel waarin de geest woont.

De vrouw die in de hemel een mannelijke kind baart, dat wordt bedreigd door de draak, is niet alleen een christelijk thema maar een universeel thema dat in alle godsdiensten is waargenomen als de grote ontwikkelingsstap die de mensheid zal maken. Het is het moment waarop uit de vrouwelijke wereldziel het mannelijke principe van de geest geboren wordt. Dit bijzondere moment is in de Egyptische mythologie verbeeld in Isis die de Horusknaap baart en waarover Hermes Trismegistos heeft geschreven. Bij de Grieken is het Demeter-Ceres die elk schepsel als haar kind op de arm draagt. Ook de Druïden hadden hun Madonna beeld, zoals in de crypte van de kathedraal te Chartres is te vinden in Virgo Paritura, de maagd die baren zal. Bastiaan Baan (2006, p. 119) legt ook het verband met wat werd geleerd in de School van Chartres in de elfde eeuw door Alanis ab Insulis over de godin Natura die hem in een droom was verschenen. Dit maagdelijke wezen omhult al het geschapene. En in China wordt in Quan Yin dezelfde oermoeder gevonden.

Schult (p.177-182) gaat eveneens uitgebreid in op dit beeld. De kosmische jonkvrouw Isis sprak van zichzelf: ‘Het zijnde en het toekomstige en het gewordene ben ik. Mijn sluier heeft niemand opgetild, de vrucht die ik baarde was de Zon.’ Als jonkvrouw van de wereld baarde de almoeder de gehele sterrenkosmos. De Melkweg werd in de oudheid verbonden gezien met de almoeder. Als sterrenjonkvrouw, die de kosmos van de vaste sterren representeert, baart de oermoeder de Zon. Als zonnejonkvrouw baart zij de planeten en de Aarde. Als Moeder Aarde (Demeter is Ge-meter, Aarde-moeder) wordt ze tot moeder van de mensheid.

  

De oermoeder, Johfra, olieverf op doek, uit Kees Zoeteman, 1989, Over Moeder Aarde, Rotterdam: Hesperia, 14.1

Als ‘toekomst-Aarde’, waarin de Christus afdaalde, die de Heilige Geest Gods is, wordt zij tot Hagia Sophia, tot de moeder van de geestmens. De drievoudigheid van God werd in de voorchristelijke mysteriën vaak als de drieheid van Vadergod, Moedergodin en Zoongod voorgesteld, bijvoorbeeld als Shin, Ischtar en Schamas  in Babylon, of als Osisris, Isis en Horus in Egypte. Omdat ruach (geest) in het Hebreeuws vrouwelijk is, verschijnt de Heilige Geest ook als vrouwelijk aspect van God. De christelijke mystici onderscheiden een Sophia in God, die gelijk te stellen is met de Heilige Geest, en een Sophia voor God, die zowel de spiegel is van de goddelijke drie-eenheid, van de gehele schepping, van de ideeënkosmos van God, als van het kleed en lichaam van God. Ook de maagd Maria, die het lichaam van Christus voorbereidde, is geheel doordrongen van de krachten van Sophia. In Christus is de tweede Adam, de androgyne mens, op Aarde verschenen. Als de ziel van de mens door Maria-Sophia overschaduwd wordt, kan de Christus, de nieuwe androgyne mens, in de ziel van ieder als God geboren worden.

De rode draak met zeven koppen en tien hoornen

Tegenover de vrouw die het mannelijke kind van de Ik-wording baart, staat het kwaad dat het ik van de mens wil wegrukken en vernietigen. Na het keerpunt in de Apocalypse is het nieuwe perspectief vervlochten met de diepste aanvechtingen in de menselijk ziel, de rode draak die het kind wil verslinden. In Egypte vinden we deze drakenkracht in Typhon, bij de Grieken in de draak Python die het kind Apollo van zijn moeder Leto wil roven.

Om uit te leggen wat het beest met zeven koppen en tien hoornen betekent, neemt Steiner ons in zijn voordracht op 29 juni 1908 mee terug naar het vroegere tijdperk dat aan ons huidige tijdperk voorafging, het Atlantische tijdperk. Tijdens de eerste vier perioden van dit Atlantische tijdperk, behoorden de mensen tot verschillende groepszielengemeenschappen en had hij nog niet het huidige individuele ik. Deze vier groepszielen behoorden tot de typen van stier, leeuw, diermens en adelaar, en de laatste drie perioden van de Atlantische tijd werd de aanleg voor het ik in de mens ontwikkeld. Deze zeven aan het dierlijke verwante groepszielen zijn nog altijd in de mens helderziend te herkennen als onze ziel zwijgt doordat ons ik-bewustzijn terugtreedt, bijvoorbeeld wanneer we zitten te dommelen of op het moment van ons sterven. Maar wij hebben deze diertypen in beginsel overwonnen door op de vaste aarde te incarneren en daar de mogelijkheid tot het hoger zelf te ontwikkelen. De mens die de ondergang van Atlantis heeft overleefd, kenmerkt zich door het in zich opnemen van de bij de mens inwonende Ik-godheid, aldus Steiner op 24 juni 1908. En als teken daarvan kent deze Na-atlantische mens het hoge voorhoofd dat hem onderscheidt van de dieren. Bij de mensen die echter in de latere tijdperken na ons huidige Na-atlantische tijdperk niet het Christus principe in zich opnemen, zullen door het onbenut laten van het zonne-Ik, weer de zeven diergestalten zichtbaar worden en hun voorhoofd zal parallel daarmee lager worden. Deze dier-mensen zullen bij de volgende Aarde incarnatie te voorschijn komen als een nevenaarde, als een apart hemellichaam, een maan van de toekomstige Jupiter aarde. Deze wordt de woonplaats voor de mensen die terugvallen in de dierlijke mens die op het niveau van de zevende periode van de Atlantische tijd blijven staan. Deze terugvallende mensheid wordt aangeduid als het beest met de zeven koppen (adelaar, leeuw, stier, diermens en drie latere Atlantische groepszielen van de mens). De dierlijke groepszielen waren eerder de voorbereiders van de nieuwe mensheid, maar in deze latere fase worden het, als zij zich niet verder ontwikkelen, tegenkrachten die zich zullen verzamelen als het zevenkoppige dier met de tien hoornen. Met de kop wordt in de taal van de mysteriën aangeduid de etherkracht in de mens van waaruit al het stoffelijke wordt aangelegd. Dat komt omdat vroeger het etherlichaam van de mens nog sterk uitstak buiten het fysieke hoofd. Nu is dat nog het geval bij bijvoorbeeld de olifant en het paard. En wat fysiek is bewerkstelligd door dit etherlichaam wordt in de Apocalypse aangeduid met het begrip ‘hoorn’. Een hoorn is elk orgaan dat een uiterlijke fysieke uitdrukking is van een onderdeel van het etherische lichaam. Elk orgaan van de mens is uit het etherische lichaam verdicht. Zo is het hart de ‘hoorn’ van de etherische leeuwenkop. In de mysterietaal bestaat het menselijke etherlichaam dus uit ‘koppen’ en het daardoor gevormde fysieke lichaam uit ‘hoornen’. De achterblijvende mensheid zal zijn individualiteit verliezen en weer terugvallen in zeven groepen die onder leiding van zeven groepszielen staan en de teruggevallen mensen zullen over tien organen in hun lichaam beschikken. Waarom tien hoornen? Rudolf Steiner legt in zijn lezing van 27 juni 1908 uit dat de mens vanaf de vijfde Atlantische periode door het toegenomen zelfbewustzijn zich ook meer bewust wordt van zijn geslachtelijkheid, het man en vrouw zijn. Was er uit elk van de vier eerdere dierlijke groepszielen één hoorn ontstaan, vanaf de vijfde Atlantische periode ontstaat uit elke groepsziel steeds zowel een mannelijke als vrouwelijke ‘hoorn’. Dus de drie laatste etherische groepszielen materialiseren steeds twee hoornen, in totaal drie maal twee is zes hoornen. Daarom wordt het beest aangeduid met zeven koppen en tien (vier plus zes) hoornen, het beeld van de terug gevallen mens. Het is het moment dat de verder ontwikkelde mens mee kan gaan met de astraal geworden Aarde die zich verenigt met de astrale Zon. Met het Bazuintijdperk komt de fysieke en etherische aarde tot een einde.

Herrad von Landsberg, 1125-1195, De tuin van de kostelijkheden, Vrouw van de Apocalypse

Schult (p.183) leidt uit de beschrijving van Johannes van de rode draak, ‘de oude slang, die duivel en satan wordt genoemd, die de gehele wereld verleidt’, af dat hiermee de grote tegenstander van Christus is bedoeld. Om de verschijning van deze draak goed te begrijpen moet men zich realiseren dat er naast de boze draak ook een goede drakenslang bestaat. Het symbool van de draak of slang was oorspronkelijk een beeld voor de gehele kosmos en van de banen van de Zon en van de Maan. Een wereldwijd bekend beeld van de ouroboros, de slang die zijn staart opeet, getuigt van de eeuwige kringloop van het leven, het overwinnen van de dualiteit en de onsterfelijkheid. Ook zijn beide slangen van de caduceus, de Hermesstaf, beelden van de zonne- en maanbaan dan wel van de zonnezuil en maanzuil van de dierenriem. Esculapus, de zoon van de zonnegod Apollo, had als symbool de staf met de zich daarlangs omhoog windende zonneslang. Ook in de Germaanse en Chinese cultuur is de zonneslang of -draak een belangrijk positief symbool. In Egypte droeg de farao op zijn voorhoofd de ureus slang als heilig zonnedier. Maar in het oude Babylon werd de jaargod als rode draak afgebeeld. Ook  in de Apocalypse verschijnt de tegenstander in de gestalte van de oude kosmische jaardraak. De zeven hoofden van de draak benoemt Schult, in aanvulling op wat eerder aan Steiner werd ontleend, als verwijzend naar de zeven planeten en hij brengt de tien hoornen in verband met de oude uit tien sterrenbeelden bestaande dierenriem. Uit het gegeven dat de rode draak met zijn staart een derde deel van de sterren van de hemel wegveegt en op de Aarde werpt, leidt Schult (p.185) af dat de verstorende demonie van satan reikt tot aan de hoogste werelden van de vaste sterren en dat dit openbaart dat de tegenmacht zich verheft tegen God zelf. Dat het hier om een derde van de sterren gaat is het sluitstuk van de eerdere stappen, die ook steeds een derde als kenmerk hadden, waarin het etherische werd uitgescheiden. Nu vindt dit omvormingsproces van het etherische tot in de hoogste sterrensferen plaats. De kosmische draak met zijn zeven koppen en tien hoornen keert zich tegen de jonkvrouw die op haar hoofd de krans met de twaalf sterrenbeelden draagt. De Sophia met de twaalf sterrenbeelden vertegenwoordigt de geestelijkheid van de toekomst, de draak met de tien hoornen belichaamt de atavistisch geworden en gedemoniseerde geestelijkheid van het verleden, die het vrije Ik van de mens niet geboren wil laten worden. De Sophia vinden we terug in het sterrenbeeld van Maagd, en de draak vinden we terug in het sterrenbeeld van Schorpioen, terwijl het kind dat geboren wordt gerepresenteerd wordt door het sterrenbeeld van Weegschaal, aldus Schult.

Het oude gnostiek-christelijke beeld van de kosmos

Schult (p.187) schetst verder het beeld van de kosmos zoals dit leefde in de oude christelijke gnostiek. In het binnenste van de kosmos rust de Aarde. In het binnenste van de Aarde ligt de Tartaros. Samen met de luchtschijf die de Aarde omgeeft en het hele kosmische gebied tot aan de Maan vormt dit de sfeer van Behemot-Ahriman. Dan volgen de zeven planeetsferen van de Maan tot aan Saturnus, die door kosmische planeetdemonen beheerst worden. Het geheel van de planetaire sferen wordt weer omvat door Leviathan, de grote slang die zich om de uiterste kring van de Saturnus sfeer windt en die de Heer van deze kosmos is. Boven hem welft de hemel van de vaste sterren, het gebied van het paradijs. Nog verder omhoog volgen een blauwe en een gele sfeer, die met Dante’s kristalhemel en Emperyum overeenkomen. Hierin zijn het symbool van Sophia en van het Leven te vinden. Voorbij deze sferen vinden we de kring van de Zoongod en van de Vadergod. Beide zijn verbonden door de ring van agape, de hogere liefde, de Heilige Geest. Dit beeld schetst de geweldige macht van de demonen en kan in de ogen van Schult ook de betekenis van hoofdstuk 12 van de Apocalypse helpen ontsluiten. De tegenstander van God, Lucifer-Leviathan, omvat de gehele planetenkosmos, ons zonnestelsel. In de Apocalypse wordt de grote drakenslang ook nog werkzaam gedacht in de sfeer van de dierenriem waaruit hij een derde van de sterren naar beneden trekt. De sterrendraak strijdt tegen de sterrenjonkvrouw. De oude kosmos strijdt tegen de nieuwe, wordende, kosmos. In deze hoge sterrensfeer zijn Leviathan en Behemot, ofwel Lucifer en Ahriman,  nog niet van elkaar gescheiden. Het beest met de zeven koppen en tien hoornen is zowel Behemot-Ahriman als Diabolos-Lucifer, is tegelijk draak en slang. Diabolos betekent, hij die verwarring zaait, en Satanas betekent in het Hebreeuws aanklager. De macht van deze tegenstander van God is hier nog ongedeeld en reikt door alle planeetsferen tot aan de sterren van de dierenriem. Bij de opstanding heeft Christus de demonen van ons zonnestelsel overwonnen, maar pas bij het einde van de wereld zullen ook de demonen die tot in de dierenriem reiken overwonnen zijn, zo interpreteert Schult de brief van Paulus aan Korinthe (hoofdstuk 5). Bij het klinken van de zevende bazuin zal, volgens Johannes, de macht van deze tegenstander die tot aan de vaste sterren van de dierenriem reikt door Michael tot de Aarde worden beperkt. De opstanding van Christus is het begin van de overwinning van de twee tegenmachten die echter in de uiterlijke wereld nog blijven werken tot de Aarde overgaat in de astrale sfeer.

Het weiden van de volkeren met ijzeren staf

Het weiden van de volkeren met ijzeren staf door de nieuw geborene is, gezien de gelijkenis van de tekst in Psalm 2:7-9, een verwijzing dat het hier om de Messias gaat (Schult, p.194). Eerder werd de ijzeren staf ook genoemd bij de vierde brief aan Thyatira en dit thema komt nog een keer naar voren in hoofdstuk 19:15 waar de kosmische moeder haar zoon nu als bruid tegemoet treedt (Op. 19:7). De hier beschreven geboorte gaat niet om de geboorte van Jezus in Bethlehem, maar het betreft een toekomstige geboorte van Christus waarbij de Christus bij het wereldeinde zal binnen breken. Die wereldomspannende machtsovername zal de satanische weerstand van de hele kosmos oproepen. Zoals bij de geboorte van het Jezuskind koning Herodes de kindermoord in Bethlehem liet plegen en de vlucht naar Egypte nodig was, zo wordt het kosmische Christuskind weggerukt naar Gods troon, een boven-kosmisch bereik waar satan geen macht heeft. Zo geldt dit ook voor het Gods-Ik van de mens dat een deelaspect is van de kosmische Christus (Kollossensen 3:2-4; Johannes 3:2) en dat bewaard moet blijven.

De vlucht van de vrouw naar de woestijn

Dit 33ste fragment eindigt met de vrouw die naar de woestijn vlucht en daar 1260 dagen verblijft. Bock wijst erop dat de vrouw die in de woestijn vlucht verbeeldt hoe in ons weliswaar de aanleg tot het hoger Ik wordt geboren maar dat het aanvankelijk nog niet in staat is de verleidingen van de draak het hoofd te bieden. Het hoger Ik van de mens wordt ter bescherming losgemaakt van de ziel van de mens. De geest incarneert nog niet in de mensenziel die zelf vlucht in de woestijn, dat wil zeggen die de hemelsfeer verlaat en op de aarde moet leven.

Steiner (GA 236, p.205) heeft lang geworsteld met de betekenis van het getal van 1260 dagen en is tot de slotsom gekomen dat hier in de loop van de tijd een fout in de overlevering moet zijn opgetreden en dat dit 2160 dagen moet zijn. Dagen betekent in dit beeld niet dagen maar jaren en het getal 2160 is een kosmische episode die 1/12 deel van het doorlopen van (het lentepunt van) de Zon door de dierenriem (in totaal 25920 jaar) vertegenwoordigt. De ontwikkeling van de verstandsgemoedsziel en daarna van de bewustzijnsziel vergt 2160 jaar. Anderzijds kan het hier, zoals Schult (p.197) aangeeft, gaan om een periode van drie-en-een-half jaar die verwijst naar de duur van de klassieke inwijdingsslaap van drie-en-een-halve dag. Schult duidt de vlucht van de jonkvrouw als haar afdalen van de hemel naar de Aarde waar ze de incarnaties van de mens meemaakt.

Wij zijn allen in onze ziel deze vrouw die in de woestijn is gevlucht en bij ons allen zweeft ons ware Ik nog buiten ons omdat bij een te vroege indaling het ten prooi zou vallen aan de tegenmachten. Sinds de Griekse cultuur begint het Ik in de mens te ontwaken. Onze ziel is op Aarde, ons ware Ik is aanvankelijk nog in de hemel. Met de komst van Christus op Aarde begint het ware Ik bij de mens in te dalen. Daarmee ontstaat in ons geleidelijk aan het geestzelf, of zoals Dullaart (p.67) aangeeft: de Heilige Geest, want het geestzelf is een collectieve geest waarin de hogere zelven van ons mensen met elkaar een geheel vormen.