Na het klinken van de zevende bazuin volgen zeven grote beelden waarbij het vierde beeld van Christus met de 144.000 verzegelden op de berg Sion de zin van de ontwikkelingen heeft onthuld: de hereniging van de gereinigde Aarde met de Zon en, in het Lam opgenomen, de mensen met het godmenselijke Christus-Ik, het ontstaan van de nieuwe mensheid. In de op het vierde beeld volgende drie beelden zien we in drie stappen de verdere hereniging van mens en kosmos met God, de grote verzoening. Deze ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis spiegelen zich ook in de levensgeschiedenis van elk mens (Schult, p.235). Wanneer het Gods-Ik het denken en de ziel van de mens reinigend doordringt, komt het tot een communie met de Heilige Geest, vormt zich het Manas. Waar het Gods-Ik de levenskrachten van de mens transformeert tot de levensgeest (Buddhi), komt het tot een communie met de Zoon-god. En wanneer het Gods-Ik ook het fysieke lichaam ontrukt aan de dood, beleeft de mens de communie met de Vader-god (Atman). In dit 37ste tekstfragment toont Johannes het vijfde beeld na de zevende bazuin, dat handelt over de communie met de Heilige-Geest-god. Dit beeld verhaalt over het binnentrekken van de Heilige Geest in de ziel van de mens en de overwinning van Gods geest over de demonen van de hel.

De eerste engel

Het beslissende moment voor de verschillende groepen mensenzielen is hier genaderd. Drie engelen kondigen aan wat nu staat te gebeuren. Het eerste dat we van een engel vernemen is dat, wat eerder in het verzegelde boek verborgen was, nu als boven het tijdelijke verheven evangelie van liefde de mensen toestroomt. De eerste engel vliegt in het hemel-midden, zoals de adelaar in hoofdstuk 8 vers 13 door het hemel-midden vloog voor de vijfde bazuin begon te klinken en zijn drievoudige wee aankondigde omdat de bron van de onderwereld werd geopend. In het huidige vijfde grote beeld na de zevende bazuin wordt het oordeel van God aangekondigd. De eerste engel roept daarom: Vreest God! God is de Albeheerser, de schepper van al wat bestaat. Als al-tegenwoordige is God tegenover al de mensen en de engel-hiërarchieën de, door een afgrond van hen gescheiden, Andere.  Gods anders-zijn vervult de mens allereerst met godsvrees. Niemand heeft ooit God gezien (Joh. 1:18). God woont in een licht waar niemand bij kan komen (1 Tim. 6:16). Alleen God komt verering toe in de zin van aanbidding. Daarom wordt Johannes ook telkens door de engel terecht gewezen als hij voor hem wil knielen en hem wil aanbidden. Alleen God is waardig om aanbeden te worden. De toorn van God wordt daar openbaar waar de waarheid van God wordt verwisseld door de schijnwereld waar Gods scheppingen worden vereerd in plaats van de schepper. God kent echter in zichzelf geen toorn. Zijn erbarmen heeft geen grenzen. Daarom zei Jacob Bohme: ‘Het is Gods liefde die in het prisma van het duistere element als Gods toorn, als verterend vuur, verschijnt.’ (Schult, p.237)

De tweede engel

De tweede engel kondigt aan dat de stad Babylon is gevallen. We zien die val nog niet, maar het oordeel is bij God geveld. Hier begint de scheiding tussen de groepen mensen dieper te worden. Babylon staat voor de vervalsing van de liefde en het voelen. Babylon is het tegenbeeld van het hemelse Jeruzalem en stelt de ondergaande aardewereld voor. De gloedwijn van de ontucht heeft alle volken besmet en het lagere driftleven heeft de goddelijke geest in de mens verontreinigd (Schult, p.240). Babylon is in de Apocalypse het toonbeeld van moreel verval, het voorrang geven aan wat afgoden wordt genoemd. Hier wordt het hogere in de mens van zijn liefdesaspect ontdaan om commerciële en materialistische belangen te dienen daarbij gebruik makend van menselijk vernuft. In Babylon mondt egoïsme uit in zwarte magie. Het is het centrum waar het beest en zijn beeld hoogtij vieren en de mens gekluisterd raakt aan de materie door versplintering van zijn Ik-krachten. Babylon is het rijk van de tegenkrachten.

Plattegrond van Babylon, uit: Alan Millard, 1985, The Glory that was Babylon, Treasures From Bible Times. Tring, Hertfordshire, England p. 135, Lion Publishing plc,http://www.bibleorigins.net/BabylonPictureAerialView.html

De derde engel

En als de derde engel spreekt, wordt het treurige lot voorzegd van degenen die in dit rijk van Babylon zijn verstrikt geraakt, zij die het beest en het beeld aanbidden en niet meegaan in de opwaartse stroom.  Door de vervalsing van de wil, de vertroebeling van de geest door het lichaam, ontstaat het lichamelijk boze. De geest verliest zijn zetel om te leiden, de ziel wordt steeds materialistischer, en het lichaam verwereldlijkt. Zo rukt de gehele mens zich tenslotte los van de verbindingen met de geestelijke wereld van God en vervalt aan de demonen (Schult, p.240). De duivel en satan zijn evengoed innerlijke werkelijkheid van de geestelijke wereld als Christus. Satan en Christus strijden in de ziel van ieder mens met elkaar. Zolang het licht van de geest, de Godsvonk, niet uitgedoofd is, zoekt het Gods-Ik steeds de ziel om deze opwaarts te leiden. Tussen het rijk van het licht en het rijk van de duisternis ligt het tussenrijk van de schemer, het rijk van de loutering, van het vagevuur. De mens die aan de demonen vervalt lijdt pijn, omdat zijn hogere geestelijke natuur zich niet kan verzoenen met het afgevallen zijn. Daarom zullen zij de wijn van Gods toorn onverdund drinken en pijn lijden. Dat is de pijn van het zich afgesloten hebben voor de goddelijke liefde. In het aangezicht van Christus en zijn engelen staat hun eigen verraad aan hun Godsvonk hen voortdurend voor ogen. De duur van deze kwelling is van eonen tot eonen. Dat is niet gelijk aan eeuwigdurend, aldus Schult (p.242). In de hel verblijven zij die in de tijd zijn gebleven en niet de werkelijke eeuwigheid kunnen bereiken.De eeuwigheid is de bron van de tijd en behoort tot de reine goddelijke wereld. De eonen duiden op tijdskringlopen en verwijzen, aldus Schult, zich beroepend op diverse plaatsen in het Nieuwe Testament (bijvoorbeeld Romeinen, 11:25-36), op een voorlaatste werkelijkheid en niet op de laatste werkelijkheid van het eeuwige. Met de voorstelling van een God van de liefde is een eeuwigdurende hel ook niet verenigbaar. De hel is niet de triomf van God maar van Satan, van het niet-zijn. Bij de doorbraak naar het rijk van de eeuwigheid verdwijnt, naar de beleving van de mysticus, tenslotte de hel in de onzegbare diepte van de Godheid.

Dit deel eindigt met de woorden: ‘Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan… opdat zij rusten mogen van hun arbeid, en hun werken volgen hen na’. Waar de mensenziel zich laat doordringen door de Heilige Geest, daar breekt de mens door uit de tijd naar de eeuwigheid (Schult, p.245). Bock (p.242-243) duidt deze tekst als een verwijzing naar het feit dat de Christus eerder waargenomen wordt in de geestelijke wereld waar de doden vertoeven, dan in de sfeer waar de op aarde levende mensen zijn. Maar telkens is er ook de herinnering dat de mens op een moment geconfronteerd wordt met wat hij of zij zelf heeft tot stand gebracht aan toekomstkrachten.

Meer over dit alles komt in de volgende delen naar voren, wanneer de oogst aan mensenzielen wordt binnen gehaald en ieder te ervaren krijgt wat het resultaat van zijn of haar levens is geworden in het licht van de toornschalen die worden uitgegoten.