Met het 41ste tekstfragment krijgen we te zien wat de gevolgen van het uitgieten van de eerste schaal van Gods wilskracht op Aarde zijn. De mensen met het merkteken van het beest krijgen zweren, pijnlijk en boosaardig.

Bock (p.250-278) beschrijft dat hij verwachtte dat nu we God naderen de liefelijkheid van de gebeurtenissen zal toenemen. Maar het tegendeel lijkt het geval. Eerst worden de toornschalen van God uitgestort op zijn schepping, op de mensen, de aarde, de zeeën en ook op de Zon, op de troon van het beest, op de levensrivier de Eufraat en in de lucht. Daarna verwoest een enorme aardbeving de aardse verhoudingen, het grote Babylon wordt in drie delen gescheurd en wordt van de wijn van de goddelijke toorn te drinken gegeven. Eilanden en bergen zijn niet meer. Met een grote hagel uit de hemel eindigen de plagen. Deze hagel is al het astrale (Schult, p.267) dat niet meegaat naar de volgende fase en dat van Aarde en mens wordt afgestroopt zoals een reptiel zijn oude huid afwerpt voor een volgende groeifase.

In de gevolgen van het uitgieten van de zeven toornschalen kunnen we ook de Griekse natuurelementen herkennen: aarde, water (de zee), lucht (hier verbeeldt in het levende water dat in rivieren en fonteinen werkt), vuur (de Zon), lichtether (hier in zijn zwart magische werking van de troon van het beest), klankether (hier verbeeldt in zijn tegendeel: de Eufraat die opdroogt, waarop de geesten van de drie tegenmachten uit de kelen van de draak, het beest en de valse profeet moeten wegtrekken), en tenslotte de levensether (hier verbeeldt als de lucht en het stoppen van de werking van de levensether, die elke vorm zijn samenhang en integriteit geeft, waardoor de Aarde op zijn grondvesten schudt en zal ophouden te bestaan). In volgende delen wordt het gevolg van deze gebeurtenissen in de hemel zichtbaar. De lagere wezensdelen waaruit wij op Aarde waren opgebouwd houden op te bestaan. Alleen de hogere werelden blijven over.

De zeven engelen met de zeven toornschalen,  schilder van de Britse School beinvleod door William Blake, 19de eeuw,- Image by © Burstein Collection/CORBIS

Het is ook wel te verwachten dat Gods tempel niet zomaar is te benaderen, maar wordt beschermd door krachten die alles wat niet heilig is terugstoten. De zegels die de hemelse troon en het boek in Gods schoot beschermen, en de bazuinen die het hemelse altaar omklinken, vinden hier hun vergelijk in de beschermende gouden toornschalen die uit de hemelse tempel worden gedragen. De zeven schalen vertonen een gelijke opbouw als de zeven bazuinen maar de werkingen zijn ernstiger en noodlottiger. Daarom kan ieder de vraag van Bock meevoelen: waarom storten de gouden schalen uit de hemelse tempel geen goddelijke liefde uit in plaats van heilige toorn?  Bock wijst erop, net zoals eerder Schult deed, dat met het begrip ‘toorn’ het woord ‘thymos’ dat in de Apocalyps wordt gebruikt, met toorn niet helemaal goed is vertaald. Het betekent eigenlijk een ‘heftig in beweging zijn van de ziel’. Dit is volgens Bock een uiting van een heftige temperamentvolle liefde van God, die niet verward moet worden met een weekhartige vorm van liefde. Dit is de liefde van een hartstochtelijke en heftige God. Bij het uitgieten van de toornschalen is nog steeds sprake van deze heftige liefde Gods die door de teruggevallen mensenzielen als toorn wordt ervaren. Juist de liefde van God voert een mens tot beproevingen die hem opwaarts helpen. Waar onzelfzuchtige liefde heerst wordt deze door dit heftige vuur van God alleen maar gesterkt. Maar voor wie de liefde in zichzelf niet heeft ontwikkeld, verkeert de goddelijke liefde in haar tegendeel, de zegen wordt tot vloek. Deze goddelijke toorn is de keerzijde van de goddelijke liefde.

Steiner gaat in zijn voordracht van 25 juni 1908 hier nog nader op in. Hij geeft aan dat de goddelijke toorn een ‘technische term’ is voor het tegendeel van goddelijke liefde en hij legt nader uit waarom. Hij laat zien dat de goddelijke liefde in het vierde cultuurtijdperk van de Grieks-Romeinse tijd in de mens is geïmpregneerd en steeds warmer zal worden in de huidige en volgende twee cultuurperioden en de daarop volgende tijdperken. De mens en de Aarde zullen door de warmte van de goddelijke liefde steeds fijner van materie worden. En de grovere materie zal als verdichte schubben steeds meer zichtbaar worden en tenslotte zoals een slang vervelt, van hun doorgeestelijkte lichaam afvallen. De goddelijke toorn is de verdichte materie die afvalt van de door de goddelijke liefde verfijnde lichamen. En na het tijdperk dat door de bazuinen wordt aangekondigd, zal als gevolg van deze goddelijke toorn de mensheid, die niet los kan komen van de materie, afgestoten worden op een achterblijvend stoffelijk hemellichaam dat als onverbeterlijke maan om de nieuwe Jupiter-aarde zal cirkelen.

Ook tijdens zijn voordracht op 19 september 1924 gaat Steiner in op de toornschalen in (GA 346, p.218). Als we ons losmaken van de luciferische en ahrimanische invloeden ontdekken we dat de schepping in alles wordt doordrenkt door licht dat een uiterlijke manifestatie is van de innerlijke kracht van de goddelijke liefde. De bezoedeling van de menselijke bewustzijnsziel door de boze krachten zal in de toekomst een steeds sterkere uitwerking krijgen op de natuurverschijnselen van de Aarde in stormen, overstromingen en aardbevingen e.d. Om daar een tegenwicht aan te bieden zal de goddelijke liefde de vorm aannemen van de goddelijke toorn als een reinigende kracht.  De goddelijke toorn is tenslotte nog steeds een manifestatie van de goddelijke liefde om de schadelijke werkingen op de mensheid teniet te doen.

Op 21 september 1924 (GA 346, p.218) komt Steiner nogmaals op de goddelijke toorn terug. De goddelijke toorn is als het kristalheldere water van de liefde waarin een spons met modder wordt uitgeknepen die dan wordt tot ondrinkbaar vies water. Zo wordt door toedoen van de illusies van zelfzuchtige mensen Gods liefde vertroebeld tot Gods toorn. De goddelijke toorn is echter nog altijd een openbaring van de goddelijke liefde. Door de goddelijke toorn kan wat de mensheid aan schadelijke daden heeft verricht alsnog omgevormd worden en daarmee wordt voorkomen dat deze daden oneindig veel meer schade zouden doen voor de ontwikkeling van de mensheid.

De eerste engel giet de toornschaal uit op de vaste aarde. Volgens Bock (p.250-278) staat dit symbool voor het aardse lichaam van de mens, dat zijn oorsprong vindt in de geestelijke wereld. Maar bij hen die het teken van het beest dragen en zich overgeven aan de louter materialistisch wereldopvatting roept het uitgieten van de schaal kwaadaardige zweren in het fysieke lichaam op. De van binnenuit opgewekte gezondheid raakt bij hen verstoord omdat de innerlijke geestelijke verbinding met Gods liefde verstoord is geraakt. De mens is niet langer meester over zijn lichaam, maar zijn lichaam wordt tot een kwelgeest.

Steiner schildert in een verdergaande beschouwing hoe de derde hiërarchie van engelen, aartsengelen en archai scheppend werkt aan de mens en deze drie engelenhiërarchieën zelf op geestelijk gebied als ledematen zijn te zien van de nog weer hogere hiërarchieën. In zekere zin zijn zij in de geestelijke wereld de lichamelijkheid van God (GA 236, p.250) en het ‘bloed’ dat in deze lichamelijkheid stroomt is de goddelijke liefde. Waar in het menselijke lichaam afbouwprocessen plaatsvinden en afscheidingen ontstaan, kan de geest juist opgenomen worden. In het voorwaarts gerichte levensproces ziet Steiner hoe de engel in de menselijke ziel werkt, de  aartsengelen in mensengroepen en hoe de archai weven in het voorwaarts schuiven van de mensheid van tijdperk naar tijdperk. Maar er treden ook remmingen op en ophopingen en juist die maken dat de geest op het fysieke kan inwerken. De geest werkt niet in op het fysieke lichaam waar dit groeit, maar juist waar afbouwprocessen, waar remmingen domineren. De goddelijke toorn bouwt zich op uit deze remmingen. Het afscheidingsproduct beschrijft de Apocalypse als zweren. Door het uitgieten van de toornschalen worden deze remmingen weer omgevormd zodat het geestelijk-zielsmatige in het menselijke lichaam kan blijven binnendringen en de ontwikkeling voort kan gaan. Schult (p.267) ziet de zweren die bij de mensen ontstaan, net als Steiner, als het gevolg van zielsmatige astrale processen die tot een reiniging kunnen komen.