De Apocalypse vindt na het uitgieten van de zeven toornschalen zijn voltooiing in zeven grote visioenen, zoals dat ook het geval was na het klinken van de zeven bazuinen. Aan het slot treffen we aan de bestijging van de heilige berg van Sion en de beschrijving van het hemelse Jeruzalem.  Het eerste beeld na de zevende bazuin was dat van de kosmische Sophia, die de zonnezoon baart en die wordt bedreigt door de draak met zeven koppen. In het eerste visioen na het uitgieten van de zevende toornschaal verschijnt het deel van de mensheid dat zijn spirituele koningschap heeft verruild voor het dienen van het beest. En het beeld waarin dit verschijnt is de hoer van Babylon, gezeten op een scharlaken rood beest vol namen van lastering en met zeven hoofden en tien horens. Zij is gekleed in purper en scharlaken en heeft een gouden beker in haar hand vol gruwelen en onreinheden van haar ontucht, en ze is dronken van het drinken van het bloed van de heiligen en de getuigen van Jezus. Dan spreekt de engel die Johannes mee heeft genomen naar dit hogere niveau van bewustzijn: Het beest dat je zag, was en is niet en zal opkomen uit de afgrond en dan in het verderf worden gestort. Daarop geeft de engel uitleg over de betekenis van de symbolen in het visioen. De zeven hoofden van het beest zijn zeven bergen waarop de vrouw haar troon heeft en het zijn zeven koningen. Vijf zijn gevallen, een ervan is, en de andere is nog niet gekomen. En het beest zelf is de achtste koning en toch is het geen van de zeven. En de tien hoornen zijn eveneens tien koningen die nog niet tot heerschappij zijn gekomen en die later hun macht en kracht aan het beest zullen lenen. Dit is een van de meest raadselachtige teksten in de Apocalypse. Dan kondigt de engel aan dat al deze koningen zullen strijden tegen het Lam en dat hun volkeren zullen strijden tegen de hoer en zij zullen haar naakt en kaal maken en haar verbranden in het vuur. De hoer is de grote stad, die als koningin heerst over de koningen van de Aarde.

De hoer van Babylon

Trad ons eerder de jonkvrouw Sophia, bekleed met de Zon, tegemoet als beeld van de zich ontwikkelende ziel van de mensheid, hier is de mensheid in twee delen gespleten, voorgesteld door de hoer van Babylon en de bruid van het nieuwe Jeruzalem. De hoer van Babylon is de mensheid die het jonkvrouwelijke Sophia wezen in zich heeft verontreinigd. Het nieuwe Jeruzalem staat voor de bruid van het Lam en stelt de menselijke ziel voor die vervuld is van Gods geest (Schult, p.278). Schult ziet het beest hier als drager van de wereldmacht Babylon-Rome, als drager voor alle rijken op Aarde. Het scharlakenrode van de draak associeert Schult met Lucifer. Het scharlakenrode kleed van de hoer geeft aan dat de rode draak, die de Vrouw met de Zon bekleed eerst bedreigde, nu bezit van haar heeft genomen. Haar sieraden van goud, edelstenen en paarlen zijn de tot aardse pronk afgedaalde hemelse drieheid van Zon, sterren en Maan. Zij vertegenwoordigen niet het verinnerlijkte lijden dat spreekt uit het meesterschap van de jonkvrouw. Want de paarlen staan voor overwonnen smart, omdat door het vormen van een parel een oester een smart, een ingebrachte verontreiniging, weet te overwinnen. De gouden beker die de hoer omhoog houdt, is gevuld met gruwelen. De beker is het tegenbeeld van het door Sophia op haar arm gedragen kind. De beker is het beeld van onzuivere rijkdom die zij zich heeft toegeëigend en die haar bindt aan de op bezit gerichte krachten van de wereld, aldus Bock (p. 280-283). Bij Steiner (GA 346, p.157-159) zagen we hiervoor dat hij de hoer op het beest typeert als de mensheid die zijn materiële verlangens is gevolgd en de spirituele morele principes heeft los gelaten. Zij is het toonbeeld van de val van de mens, de eerste val.

Het beest met de zeven hoofden en tien hoornen

Bock wijst daarna op de uitleg die de Apocalypse geeft van de betekenis van de zeven hoofden van het dier. Hier wordt een andere uitleg gegeven dan de uitleg die Steiner in een eerdere fase gaf over het beest. De zeven hoofden staan voor zeven bergen en het zijn ook zeven koningen waarvan er vijf al zijn geweest, er één – de zesde – nu koning is, en er nog één moet komen. De symbolen in de Apocalypse hebben meerdere lagen en betekenissen. Bock wijst voor de duiding van de zesde koning niet op de betekenis van het getal 6, maar op de in mythen vaker gebruikte betekenis van de zeven bergen als het beeld van de geestelijke wereld die ‘achter de zeven bergen’ ligt. In het sprookje van Sneeuwwitje komen we dat ook tegen. Daar wijst het spiegeltje aan de wand de oude koningin erop dat in het land achter de zeven bergen Sneeuwwitje woont die duizendmaal schoner is dan zijzelf. Daarmee wordt ook de wereld achter de drempel bedoeld, de ongeziene wereld van de elementenwezens en astrale krachten, in dit geval van de zeven kabouters of dwergen. En Sneeuwwitje is dan symbool voor de gereinigde mensenziel, de jonkvrouw bekleed met de Zon. De hoer van Babylon zit op de zeven bergen, omdat zij de geestelijk wereld wil afschermen en alleen in de materiële wereld wil opgaan, aldus Bock.

De zeven koningen zijn volgens Steiner de zeven ontwikkelingsfasen van de mens, waarvan er op dit moment in de Apocalypse al vijf achter ons liggen. De mens is in zijn ontwikkeling op dit moment in de Apocalypse beland bij de zesde koning en alleen de zevende ligt nog in de toekomst verborgen. In deze zesde periode gaat het erom of we onze verworven krachten in dienst stellen van het aardse of hemelse, of we ons Manas ontwikkelen of ons Ik verliezen. Ontwikkelt de mens nieuwe geestelijke waarnemingsorganen waardoor hij zich met de geestelijke hiërarchieën kan verbinden, of wordt hij steeds sterker gekluisterd aan de materie? Daarom ging het bij de keus die hier is getoond.

Schult (p.281) duidt de zeven koningen, die met de zeven koppen van het beest overeenkomen, als de heersers van de zeven aarde incarnaties, de zeven grote tijdkringlopen, die hij aanduidt als de planetaire eonen. Vijf van de eonen zijn al verlopen in deze fase van de Apocalypse, de zesde fase is zich aan het afwikkelen, en de zevende moet nog komen en zal korte tijd duren. Schult herinnert eraan dat God de wereld in zeven dagen schiep. In zes eonen schiep God de wereld en de zevende rustte hij. Op de zevende dag vindt er geen nieuwe schepping plaats maar wordt de uitwerking van de eerdere daden getoond. Daarom komt het boze tot zijn hoogste uitwerking op de zesde dag en is het getal 666 het getal van de anti-Christ. In de zesde eoon  vallen de uiteindelijke beslissingen tussen de machten van het licht en die van de duisternis.

De achtste koning

Ook wijst de Apocalypse erop dat ‘het beest dat was, en niet is, ook de achtste koning is, die ten verderve gaat’. We worden hier eraan herinnerd hoe bij het uitgieten van elke toornschaal er vanuit de zonnesfeer afgezanten naar de achtergebleven mensheid gaan om hen telkens opnieuw te bewegen om de opwaartse weg in te slaan. En als de fase 666 is gepasseerd is er tenslotte geen weg meer terug. Vanaf dit moment moeten degenen die zich afgezonderd hebben als een Sorat (Satan) kolonie van zwarte magiërs een andere weg gaan. Op dit moment zijn de Oude Saturnus, de Oude Zon, de Oude Maan, de Aarde en vooruit spiegelingen van de komende aarde incarnaties voorbij. Wie nog steeds niet meekomt en uit vrije wil kiest voor materieel genot en de zwarte magie zal een achtste sfeer vormen, zal geregeerd worden door een achtste koning, die echter ten onder zal gaan. Door witte magie nadert de astrale Aarde in zeven stappen de Zon, door zwarte magie wordt de Aarde steeds meer tot een doods maanlandschap. Deze verdorde maan, deze achtste sfeer, zal eens als een satelliet de toekomstige Jupiteraarde vergezellen (Steiner, GA 101, p.135). Het is de wereld van Ahriman.

   

Hoer van Babylon op scharlaken rood beest, York Minster, John Thornton, 1405-1408, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:York_Minster,_Great_East_Window

De strijd tegen het Lam

Dan komt opnieuw een strijd tegen het Lam, waarbij het Lam overwint. Degenen die ten strijde trekken tegen het Lam raken onderling verdeeld en keren zich tegen elkaar. De tien hoornen ‘zullen strijden tegen de hoer en zij zullen haar woest maken en naakt en zij zullen haar vlees eten’. De wereld van Babylon zal aan tegenstrijdigheden in zichzelf ten gronde gaan, aldus Bock. En Schult (p.283) ziet dat het beest (ten onrechte noemt hij dit de ‘zonnedraak’) zich tegen de hoer van Babylon keert. De revolutie verslindt haar eigen kinderen.