Het vijfde grote visioen van Johannes, na het uitgieten van de zevende toornschaal, maakt, samen met de twee visioenen die hierna volgen, deel uit van het opbouwen van het geestesrijk. Voor deze drie visioenen (het duizendjarige rijk, het wereldgericht en het hemelse Jeruzalem) geldt bij uitstek dat zij op verhulde wijze de mystieke geheimen overbrengen (Schult, p.319). Zij bevatten de esoterische diepten van de Apocalypse. In dit vijfde visioen ziet Johannes een engel afdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond in zijn hand en een ketting. En hij grijpt Satan, ketent hem voor duizend jaren en werpt hem in de afgrond. En de zielen van de onthoofden om hun getuigenis en van de andere heiligen heersen samen met Christus duizend jaar. Dit is de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht. Als de duizend jaar geëindigd zijn, wordt Satan ontbonden en hij verleidt de volkeren op aarde, de Gog en Magog, om hen te vergaderen voor de strijd. En er kwam vuur van God uit de hemel en heeft hen verslonden. En Satan wordt geworpen in de zee van vuur waar het beest en de valse profeet zijn.

Satan aan de ketting gelegd voor duizend jaar

Het ketenen van satan is een oud mythologisch motief (Schult, p.326), dat niet alleen in de Joodse apocalypsen, maar ook in de de Avestra van Zarathustra en in de Germaanse Edda wordt gevonden. In de oud-iraanse mythologie blijft de slang Azhi Dahaka tot aan de eindstrijd geketend aan de rots Domavand. En in de Edda wordt de door de Asen geketende Fenriswolf pas vrijgelaten tijdens de godenschemering.

Het duizendjarige rijk

Al is de mens gekomen tot een hoger bewustzijn en heeft hij de strijd met het zevenkoppige  beest en de valse profeet gewonnen, de strijd met de inspirator van het beest zou voor hem nog te hoog gegrepen zijn. Daartoe moet een engel afkomen uit de hemel die satan bindt en voor duizend jaren verzegelt in de afgrond. Deze tekst is een duidelijke spiegel van de gebeurtenis bij het klinken van de vijfde bazuin, toen een gevallen engel uit de hemel kwam (Schult, p.326 ziet daarin een luciferisch wezen) en een sleutel kreeg om de put naar de afgrond te openen.

Bock (p.322-326) becommentarieert de fantastische materialistische interpretaties van het zogenaamde ‘duizendjarige rijk’, die vanaf de eerste eeuwen na het ontstaan van de Apocalypse tot in de afgelopen eeuwen zijn gegeven. De duizend jaar die hier worden genoemd zijn volgens Bock een periodiek optredende rustperiode in de geestelijke wereld, waarbij de poorten naar hemel en hel zijn toegesloten en de mens gedurende deze fase tot rust kan komen. Het duizendjarige rijk is in de geestelijke wereld voortdurend te vinden. Het getal 1000 staat tegenover het getal 666 en is het teken voor ‘de eeuwigheid in de tijd’. Wie burger wordt van dit innerlijke duizendjarige rijk van de vrede kan meewerken aan het overwinnen van satan en aan de bouw van het nieuwe Jeruzalem, de stad van de vrede die het plan voor de volgende aarde incarnatie bevat.

Jacques Laudin, 1663, Satan geketend voor 1000 jaar,  https://www.tumblr.com/search/apocalypse%20of%20saint%20john

Een andere mogelijke uitleg kan bij Steiner gevonden worden door nog eens naar de scheppingsronden te kijken die in hoofdstuk 4 van de Apocalypse in relatie tot het troongezicht zijn beschreven. Wanneer de vormtoestand van de minerale aarde tot haar einde komt, volgen nog drie levenstoestanden voordat de nieuwe Jupiter-aarde aanbreekt. Aarde en mens doorlopen nog drie ronden, wat kan worden aangeduid met drie nullen ofwel het getal 1000. Tijdens deze drie ronden heersen die vooruitgesnelde mensenzielen als koningen, de anderen die de normale ontwikkelingsgang volgen, komen op de toekomstige aarde incarnatie van Jupiter op een vergelijkbaar bewustzijnsniveau.

Ook Schult (p.322-324) staat uitgebreid stil bij de betekenis van de 1000 jaarperiode. Het betekent in zijn ogen zeker niet een rekenkundige of chronologische periode van 1000 jaar. Met het duizendjarige rijk wordt gedoeld op het rijk van de goddelijke volmaaktheid dat aan het einde van de tijdronden doorbreekt. Verder wordt het getal 1000 in de oudheid gebruikt om een grote tijdkringloop aan te duiden. De scheppingsgeschiedenis die in Perzië teruggaat op de Avesta van Zarathustra omspant een totaal van een 12-tal duizend jaar perioden van de wereldgeschiedenis, zoals ons jaar 12 maanden kent. In de Joodse scheppingsgeschiedenis kende men 7 scheppingsdagen. Dit zijn 7 werelddagen van de kosmische ontwikkeling, die men als 7 perioden van 1000 jaar telde. Hierbij zijn de 1000 jaar perioden symbolisch en niet rekenkundig op te vatten. Het zevende 1000-jarental is dan te zien als een wereldsabbat, de rustdag van de voltooiing van de wereld. In de Apocalypse wordt volgens Schult het duizendjarige rijk niet als de toestand van voltooiing van de wereld opgevat, maar als een voorlaatst stadium in de tijd voordat de tijd overgaat in de eeuwigheid. Het is een tussenstadium tussen tijd en eeuwigheid dat ook in de Avesta van Zarathustra wordt aangetroffen. De oude culturen wisten dat eens uit het oervuur, uit het oerlicht, de gehele kosmos is ontstaan en dat tenslotte de kosmos weer tot het oervuur zal terugkeren. Als zes werelddagen ten einde zijn zal de in de kosmos gekruisigde schepperlogos te voorschijn treden uit de in elkaar stortende schepping en haar naar huis brengen. De satan wordt op dat moment geketend voor de duur van de zevende werelddag, de wereldsabbat. De diepste zin van het duizendjarige rijk is het doorbreken van de eeuwigheid in de tijd, aldus Schult.

Eerste en tweede dood en opstanding

Bij Rudolf Steiner vinden we in de voordrachten te Nürnberg in 1908 uitleg over de slothoofdstukken van de Apocalypse. Door tijdgebrek moest hij zich beperken tot het duiden van enkele hoofdlijnen die voorkennis vragen van de inzichten die stammen uit de oude inwijdingsscholen. Aan het slot van zijn laatste voordracht op 30 juni 1908 merkt hij dan ook op: ‘Dit is niet alles, lang niet alles, wat (over de Apocalypse) te zeggen zou zijn, en men kan nog veel dieper op de waarheden, de achtergronden van de Apocalypse ingaan’. Wat hij in zijn voordrachten heeft kunnen zeggen is niet meer dan een eerste karakterisering van de wijsheid die door Johannes te boek is gesteld nadat deze eeuwen lang mondeling in de mysteriescholen van die tijd was overgedragen. In zijn selectie van onderwerpen kiest Steiner in deze laatste voordracht de in dit deel genoemde belangrijke verschijnselen van de eerste opstanding en de tweede dood. Wat wordt daarmee bedoeld? Om dit duidelijk te kunnen maken wijst Steiner er eerst op dat de mens die in het nieuwe Jeruzalem zal leven, dus op de Jupiter-aarde, een heel andere mens is dan wie wij nu zijn. We zagen al eerder dat wij nu zijn opgebouwd uit een vast fysiek lichaam, een levenskrachten- of etherlichaam, een gevoels- of astraallichaam en een zelfbewustzijn of ik. De Jupiter mens heeft zijn astrale lichaam omgevormd tot een hoger wezensdeel dat het hogere zelf, het geestzelf of Manas wordt genoemd. De Jupitermens heeft daarmee niet vier maar vijf wezensdelen. Zoals de huidige mens overdag met zijn ik zijn waarnemingen kan interpreteren en in zichzelf kan overleggen, zo kan de Jupitermens met zijn Ik de helderziende beelden die hij waarneemt interpreteren. Een deel van de zielswereld is voor hem toegankelijk. Dat maakt dat de Jupitermens in heel andere morele verhoudingen leeft. Pijn en lust van anderen verschijnen voor deze mens als innerlijke beelden en kwellen zijn ziel als niets wordt gedaan om het leed te verminderen. De Jupitermens is voortdurend verbonden met het wel en wee van de anderen om zich heen. Vervolgens legt Steiner uit hoe we tegenwoordig al toegroeien naar die nieuwe Jupitermens. Wanneer wij de beelden van de Christus uit de Apocalypse tot ons nemen vanuit het Johannes evangelie, of de leer van de Vedanta  en de Bagavad Gita, dan werkt dit in de nacht wanneer wij slapen door in ons astraal lichaam. Immers, tijdens de slaap verlaten ik en astraallichaam ons slapende ether- en fysieke lichaam, dan werken onze beelden en voorstellingen van de afgelopen dag ’s nachts door in ons vrije astraallichaam dat daardoor verandert en waaruit het Manas zich begint te ontwikkelen. Dat is het doel van de ontwikkelingen op Aarde. Maar deze veranderingen in het astraallichaam kan de mens nog niet zelf afdrukken in het etherlichaam, daarvoor heeft de mens een helper nodig. De Jupitermens zal wel in staat zijn om zelf vanuit zijn astraallichaam zijn etherlichaam om te vormen. En het wezen dat de huidige zich ontwikkelende mens helpt om de veranderingen in zijn astraallichaam af te drukken in zijn etherlichaam is de Christus, zoals de Vader het goddelijke wezen is dat het veranderde etherlichaam helpt afdrukken in het fysieke lichaam. Daarom zegt Jezus ook: Niemand komt tot de Vader dan door mij. Niemand krijgt de mogelijkheid om (innerlijk) op zijn fysieke lichaam in te werken die niet door het Christusprincipe, dat op het etherlichaam werkt, is gegaan. Tegelijk maakt dit duidelijk dat degene die zich afkeert van het Christusprincipe zichzelf de mogelijkheid ontneemt om zijn etherlichaam om te vormen. Enerzijds zijn er dus de mensen die het Christusprincipe in zich opgenomen hebben, die daardoor hun astraallichaam omvormen, en van Christus de hulp krijgen ook hun etherlichaam om te vormen. Anderzijds zijn er de mensen die hun helper niet kunnen vinden en hun etherlichaam niet kunnen omvormen.

Wat gebeurt er nu in de slotfase van de huidige Aarde incarnatie als de Aarde steeds verder vergeestelijkt? Om daar een beeld van te krijgen schildert Steiner eerst wat er in onze tijd gebeurt na het sterven van de mens. Dan moet deze zijn of haar fysieke lichaam achterlaten. De begeerten van een mens naar lekker eten, een snelle auto, seksueel genot en dergelijke houden echter niet op, want die zetelen in het astraallichaam dat nog bestaat. Omdat het fysieke lichaam ontbreekt, heeft de mens niet meer de mogelijkheid om de begeerten te bevredigen. De gestorven mens wordt verteerd door de gloed van zijn of haar begeerten, in de Rooms-katholieke kerk aangeduid als het vagevuur, tot deze begeertegloed uitdooft en de mens heeft afgeleerd naar de bevrediging ervan te verlangen. Wanneer de laatste fase van de Aarde incarnatie aanbreekt en de mens in een laatste incarnatie het fysieke lichaam aflegt, dan zal dit voor de mens die de Christusimpuls heeft opgenomen geen bijzondere moeilijkheden opleveren, al zal de mens alle voorwerpen die plezier en vreugde gegeven hebben voor altijd moeten achterlaten. Dit moment wordt in de Apocalypse de eerste dood genoemd. Voor de door de Christusimpuls doortrokken zielen is op dit moment het met Christus’ hulp veranderde etherlichaam van belang en zij laten zonder grote moeite het fysieke lichaam van zich afvallen. Hun verder ontwikkelde etherlichaam is niet meer overheerst door lust en leed. Deze in bewustzijn ontwikkelde mensen leven verder, zijn opgestaan in de vergeestelijkte wereld. Zij hebben, met de hulp van Christus, een harmonie tot stand gebracht tussen hun omgevormde astraal lichaam en etherlichaam. Maar bij degenen die de Christusimpuls niet in zich opgenomen hebben is er zo’n harmonie niet. Ook zij moeten hun fysieke lichaam loslaten want al het fysieke lost in deze fase op. Hun etherlichaam is niet aan een gereinigd astraallichaam aangepast en nog geheel op het fysieke lichaam gericht. Zij worden verteerd door een onstilbaar verlangen naar een fysiek lichaam. En daarna komt er een fase in de ontwikkeling waarbij de vergeestelijking nog verder voortschrijdt en er ook geen etherlichaam meer is. Degenen die een etherlichaam hadden dat in harmonie was met hun astraallichaam laten hun etherlichaam zonder smart los en zij verblijven in hun astraallichaam dat vervuld is van het Christuswezen. Zij ervaren het als noodzakelijk voor hun ontwikkeling dat hun etherlichaam afgestroopt wordt, want ze voelen dat zij de mogelijkheid hebben het zelf weer op te bouwen omdat zij de Christus in zich opgenomen hebben. Maar degenen, die in hun etherlichaam nog de begeerten hebben naar het fysieke dat is geweest, kunnen evenmin hun etherlichaam behouden wanneer alles vergeestelijkt tot het astrale niveau. Het etherlichaam zal uit hen gerukt worden en dat ervaren zij als een tweede sterven. Deze tweede dood gaat aan de door de Christusimpuls doortrokken mensen vrijwel onopgemerkt voorbij. Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zijn rijp om verder te leven op de Jupiteraarde, zij ontwerpen het plan voor de Jupiter ontwikkeling. Dit plan wordt het nieuwe Jeruzalem genoemd.

De nieuwe Jupiter-planeet, die na een grote rustperiode of ‘Pralaya’, tegelijk met een nieuwe kosmos uit de geestelijke wereld zal materialiseren, zal begeleid worden door wat Steiner een ‘satelliet of maan’ noemt. Op deze satelliet van de Jupiter-aarde zullen de mensenzielen  leven die wel onderhevig waren aan het ervaren van de tweede dood en die niet in staat waren om tot het Jupiter bewustzijn, de ontwikkeling van het Manas, door te groeien. Maar ook tijdens de Jupiter incarnatie zal er een mogelijkheid zijn voor deze teruggevallen mensheid om tot een omkeer te komen. Nog tot in de Venus-incarnatie van onze planeet is er een allerlaatste kans voor de terug gebleven mensenzielen om de weg omhoog te gaan. Die kans is er tot het moment dat is aangegeven met het getal 666, dus de ontwikkelingsfase waarbij de Venus-incarnatie van onze planeet tenslotte vergeestelijkt.

Schult (p.324) wijst erop dat in Johannes (5: 24-28) ook een eerste en tweede opstanding door Christus ter sprake wordt gebracht: ‘Het uur komt waarin allen die in graven rusten, zijn (de Zoon) stem zullen horen en uit zullen gaan: die het goede hebben gedaan tot de opstanding voor het leven, die echter het slechte hebben gedaan tot de opstanding om geoordeeld te worden’. Zo spreekt ook de Apocalypse van een eerste en tweede opstanding. De mensen van de eerste opstanding zijn degenen die niet meer geoordeeld zullen worden en geestelijk worden wedergeboren.

Gog en Magog

Na het beschrijven van degenen waarover de tweede dood geen macht heeft, volgt de tekst waarin de rustperiode van de duizend jaar, waarin satan is geketend, eindigt. Nu moeten Christus en de vergeestelijkte mensen opnieuw de strijd voeren tegen de grote tegenstanders van het volk van God. In de tijd waarin Johannes leeft worden deze tegenstanders aangeduid met Gog en Magog. In Ezechiel is er sprake van koning Gog van het land Magog, als de verwachte buitenlandse vijand. Gog en Magog kent vele verklaringen maar het gemeenschappelijke daarin is dat het om barbaarse horden uit het Noorden gaat die het land binnen vallen en plunderen (Schult, p.329). Op 22 september 1924 (GA 236, p.262-264) vertaalt Steiner Gog en Magog als het samenkomen van kleine groepen (Gog) en grote groepen (Magog) die blootstaan aan de verleiding van satan, die weer macht krijgt tot aan de vier hoeken van de Aarde. Het gaat om mensen waarvan het gemeenschappelijk kenmerk is dat zij hun ik zijn verloren. Met deze horden trekt satan, aldus Schult (p.325), naar het middelpunt van de Aarde om tegen de mensheid van het paradijselijk Jeruzalem te strijden. De vrije mens wordt als het aan de satanische machten ligt weer ondergeschikt gemaakt aan de regels van de groep die op het intellectualisme worden gebaseerd en op de statistische groepsregels die voorbijgaan aan het unieke van elk individueel geval. Dat zal een beslissend moment zijn, waarbij deze zielen een diepe terugval riskeren. Alle zwaktes in de mens van ijdelheid en geloven in onwaarheid zullen worden beproefd. Op dat moment moet in elk mens het bewustzijn voorhanden zijn om de spiritualiteit werkelijk te vertegenwoordigen. Steiner geeft aan dat de door hem naar voren gebrachte idee van de ‘sociale driegeleding’ is bedoeld om aan deze verleiding een tegenwicht te bieden. Sociale driegeleding houdt in dat in de maatschappij het gebied van de geest (religie, cultuur, wetenschap) geheel vrij ontplooid kan worden van enerzijds het rechtsleven (justitie, politie, etc.) waarbij het beginsel geldt van gelijkheid van iedere burger voor de wet, en van anderzijds het economische leven waarvoor het beginsel van de broederschap geldt. Dit betekent dat goederen en diensten worden gedeeld zodat ieder verkrijgt wat deze om te leven nodig heeft.

Het vuur uit de hemel

Tenslotte worden de tegenkrachten verslagen door vuur uit de hemel en wordt ook de aanstichter van Gog en Magog, Satan, geworpen in de poel van vuur waarin het beest en de valse profeet al eerder waren geworpen. Het is Gods liefde die nogmaals als zijn toorn in het rijk van de duisternis tot ingrijpen komt. Nu is de macht van het kwaad, satan genoemd, maar we moeten hier naar mijn idee denken aan Sorat en de Azura’s, gebroken. Hier lijden de tegenmachten eeuwig pijn, maar daarmee worden zij niet vernietigd. De tegenkrachten lijden een eoon lang pijn door hun afgesneden zijn van de liefde en hun onstilbare verlangen naar een fysiek lichaam.