In het zesde visioen van Johannes, na het uitgieten van de zevende toornschaal is, zoals steeds bij het getal zes, de beslissende fase aangebroken. De Christuslogos en de eeuwigheid braken binnen in de tijd bij het 1000-jarige rijk, zoals we bij het vijfde visioen zagen. De mensen die hun geestelijke wedergeboorte met de Christus al hebben beleefd zijn nu verenigd in de zogenaamde eerste opstanding. Dit is de terugkeer van het paradijs, de oerkosmos, en de voleinding van de mensheidsontwikkeling in de tijd. En op de openbaring van de Christuslogos in de tijd volgt nu de openbaring van de Christuslogos in het gebied van de ruimtelijke verten van het wereldal, voor zover daar in de geesteswereld nog van gesproken kan worden (Schult, p.331). Voor het aangezicht van degene die op de troon is gezeten verdwijnen Aarde en hemel, ruimte en kosmos. En de boeken worden geopend en de doden worden geoordeeld, ieder naar zijn werken. En de Dood en de Hades worden neergeworpen in de vuurzee, evenals een ieder wiens naam niet is geschreven in het boek van het leven.

Laatste oordeel, Fra Angelico, 1431, Museo di Fiorenze

Hemel en Aarde vergaan

Het einde van de Aarde incarnatie is gekomen. We naderen de troon waarop God is gezeten op een manier dat we het aangezicht van God in het Vader aspect kunnen zien. Van zijn aangezicht vliegen Aarde en hemel weg, zij lossen in nog hogere geestelijke gebieden op zodat er geen plaats meer is waar zij gevonden kunnen worden. De ruimte is opgehouden te bestaan, evenals het aardse onderscheid tussen leven en dood. Nu wordt vervuld wat door Jezus werd voorzegd (Marcus 13:31): ‘Hemel en Aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’.

Het laatste oordeel

Nu is het moment aangebroken van het oordeel, van de grensoverschrijding, waarbij de geestelijke balans wordt opgemaakt van al de levens- en ontwikkelingsstappen die de mensenzielen op de planeet Aarde hebben doorgemaakt. Het moment geldt ook voor de spiritueel later ontwikkelden en voor hen die in de hel zijn terug gevallen. Wanneer er toch een aanraking is geweest door de Christusliefde en hun naam is ‘opgeschreven in het boek van het leven’ worden de mensenzielen meegenomen naar de Jupiter-aarde. Maar de anderen zullen later hun ontwikkeling vervolgen op de hiervoor genoemde satelliet van de Jupiter-aarde. Zij blijven eerst achter in de (louterende) poel van vuur, om hun brandende verlangen naar een materieel bestaan, dat hen ervan weerhoudt mee te gaan naar de meer verfijnde werelden, op te lossen. Na degenen, die met Christus troonden in het 1000-jarige rijk als deelnemers aan de eerste opstanding, is nu de tweede opstanding op ‘de jongste dag’ aangebroken. Het betreft de doden, die niet zijn opgestaan bij de eerste opstanding. Naast het boek met alle werken van ieder mens, het boek van het karma, is er nog een tweede boek, het boek van het leven. Het Levensboek is het boek van de levenschenkende wil van God tot genade. In het kabbalistische boek Zohar wordt ook vermeld dat niets in de wereld verloren gaat, evenals in het Indische geloof de opvatting leeft dat alles wordt vastgelegd in de Akashakroniek, het etherschrift van de kosmos (Schult, p.332). Maar het Boek van het leven behoort niet tot de fysieke kosmos, maar tot Gods hemel, de boven-kosmische geestelijke wereld. Daarin staat de ware naam van de mens geschreven. De menselijke godsvonk behoort de goddelijke vuurhemel toe. Daarom zegt Jezus ook (Lucas 10:20): ‘Verheug je niet dat jullie onderdanen van de geesten zijn, maar verheug je erover dat jullie namen in de hemel staan geschreven.’ Daar spreekt hij van het tweede boek, het Levensboek.

De Zee, de Dood en de Hades

Naar aanleiding van de drie gebieden, -Zee, Dood, Hades-, die hun doden voor het laatste oordeel naar buiten werpen, geeft Schult (p.333) weer hoe volgens verschillende ingewijden, zoals Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Jacob Bohme, Dante Allegieri en Hildegard von Bingen, de geestelijke sferen zijn opgebouwd. Boven de onderste sfeer, de poel van vuur, bevindt zich de afgrond van de hel (Hades) waar de boze mensen en demonische geesten in het onderaardse bereik huizen. Daarboven is het gebied van de Dood, dat is de aardse sfeer waar de aardegebonden geesten zich na de dood ophouden. De zee, het watergebied, symboliseert een hogere kosmische sfeer waar na hun dood de ‘onvolkomen wedergeborenen’ verblijven die tijdens hun leven zich tenminste moeite gegeven hebben tegen het boze te strijden. Boven het watergebied is het luchtgebied, dat ook het Paradijs wordt genoemd. In het Paradijs verblijven mensen met een rein hart, die de geestelijke wedergeboorte hebben bereikt. Daarboven bevindt zich de vuurhemel van de Berg Sion waar de voltooide heiligen wonen, die de eerstgeborenen zijn. Tenslotte is het nieuwe Jeruzalem het gebied van het vijfde element, de quintessentia, de sfeer boven aarde, water, lucht en vuur. Deze sfeer zal pas bij het einde van de wereldontwikkeling openbaar worden. Deze zeven domeinen vormen de sferen na de dood. Na het wereldgericht bestaat alleen nog het hemelse Jeruzalem dat zal neerdalen op de nieuwe paradijselijke aarde die de mensen van de sferen van de Berg Sion, het Paradijs en de Zee in zich zal opnemen. Als tegenwereld zal de poel van vuur blijven bestaan waarin Dood en Hades worden neergeworpen (Schult, p.334).