De gemeente Pergamon, nu Bergama geheten, ligt ten noorden van Smyrna, zo’n 25 kilometer landinwaarts vanaf de kust die tegenover het eiland Lesbos ligt. Het is eveneens binnen het Romeinse rijk een zeer belangrijke grote stad met een Akropolis die majesteitelijk op de toppen van de heuvels in het ruime omringende land ligt. Pergamon is de belangrijkste kunststad in Klein-Azie. De kroonschat van Alexander de Grote werd hier na 332 voor Christus ondergebracht, wat de latere koningen van Pergamon tot de rijksten van de toenmalige Griekse wereld maakte. Dit leidde tot prachtige tempels, zuilenhallen en een reusachtig altaar ter ere van Zeus. Iets lager dan de Akropolis is het beroemde heiligdom van Asklepius gebouwd, waar zieken aan de hand van hun dromen genezing zochten. Een geheel uit marmer gebouwd bad met geneeskrachtig water is ook nu nog te gebruiken. De beroemdste arts uit de oudheid, Galenos, stamde uit Pergamon. Schult (p.48) ziet in al deze verschijnselen het Venus karakter van Pergamon. In 133 voor Christus vermaakte koning Attalos III bij zijn dood Pergamon met zijn schatten aan het Romeinse rijk. Pergamon draagt de herinnering aan de derde cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische, waarin de mens in het schrift van de sterren en de natuurkrachten de werkingen van de engelen hiërarchieën herkende. Door het waarnemen van wat in de omringende fysieke wereld aanwezig is, kenmerkt deze periode zich als het begin van de wetenschap, die zich baseert op wat in de uiterlijke verschijnselen kan worden afgelezen. Van de zo verkregen inzichten getuigt de in bibliotheken gedocumenteerde kennis. Pergamon ijverde met het Egyptische Alexandrië om de grootste bibliotheek en toen hen het papyrus afkomstig uit Egypte werd onthouden, begonnen zij voor de boeken in plaats van Egyptisch papyrus eigen perkament te gebruiken. Dit werd uit gedroogde dierenhuiden gemaakt. In het hart van de Akropolis van Pergamon werd sinds 29 voor Christus, vanaf het bewind van keizer Augustus, een tempel gebouwd waar de keizer als god werd vereerd.

Akropolis van Pergamon, reconstructie als pentekening met inkt en waterverf op kanvas,  Friedrich von Thiersch, 1882, Staatliche Museen zu Berlin

De lichtwereld raakt steeds verder weg

De Egyptisch-Babylonische cultuurperiode (2907 – 747 voor Christus) van ons Na-atlantische tijdperk weerspiegelt het eerdere Lemurische tijdperk en in nog groter verband de derde fase van de aarde planeet, waarbij Aarde en Maan verenigd bleven. In het eerste deel van de Lemurische tijd kende men nog geen dood en geboorte omdat in deze periode de tijd wordt herhaald waarin Zon en Aarde nog niet gescheiden zijn. De mens kent nog niet de scheiding tussen ziel en lichaam. Als de Zon afgescheiden wordt, verdicht het lichaam van de mens zich tot een lucht-nevel achtige vorm die boven het aardoppervlak zweeft zoals nu de wolken. Pas als ook de Maan zich afscheidt, in het tweede deel van de Lemurische tijd, begint de mens de eigen ziel en het leven buiten zich als een tweedeling te ervaren. Nu komt het onderscheid tussen waken en slapen. De mens neemt overdag bij het zonlicht steeds meer de uiterlijke wereld waar en ‘s nachts, als de Maan het zonlicht reflecteert, kan hij nog de geestelijke wereld helderziend beleven. Het gemoedsleven van de Egyptenaar weerspiegelde deze tweedeling die in de Lemurische tijd is ontstaan. De zonnegeest die de Perziër Ahura Mazdao noemde, noemde de Egyptenaar Osiris en de menselijke ziel, die de zonnegeest zocht, was Isis. Het religieuze leven werd zo een Maandienst. Op de Maan woonde het zonnewezen Osiris dat de Egyptenaar helderziend kon waarnemen. Maar met het steeds lichamelijker worden, kan de Egyptenaar Osiris steeds minder waarnemen. Daarom wordt Isis op den duur tot weduwe. Deze cultuurperiode wordt gekenmerkt door het meer gericht raken op de buitenwereld en door het getal 3: Zon, Maan en Aarde, ofwel Osiris, Isis en hun zoon Horus. (Steiner, GA 104a:98)

Terwijl in deze derde cultuurperiode de lichtende geestelijke wereld in de nacht en ook na de dood en tot een nieuwe geboorte in het bewustzijn van de mensen verder weg raakte, werden hiervoor oplossingen gezocht. Een voorbeeld hiervan  was het volgen van de leefregels uit het Egyptisch Dodenboek, waardoor na de dood het Osiris-licht gevonden kon worden dat de zoekende mens (Horus) weer hoop kon geven. (Steiner, GA 104a: 84)

In de derde, Egyptisch-Babylonische, cultuurperiode lag het lentepunt van de zon in het sterrenbeeld van de Stier, het dier dat in Egypte als heilig werd vereerd (Apis stier en Hathor koe). De Hathor koe is het symbooldier voor Isis en Ischtar. De heerseres van Stier is Venus. De Egyptisch-Babylonische cultuur was gebaseerd op de krachten van de astrale wereld. De samenhang tussen mens en kosmos werd op een geweldige manier samengevat in de Babylonische astrologie en verwerkt in het ontwerp van de Egyptische piramiden. Ook de megalithische steencirkels van de Keltische druïden van 3000 voor Christus, die in dezelfde periode ontstonden, waren geboren uit krachten van de astrale sterrenwijsheid (Schult, p.52).

De troon van satan

In het heerlijke Pergamon huist ook de troon van satan. Daarmee wordt niet alleen verwezen naar de glorieuze tempel van de keizer die zich aanmatigt een god te zijn, maar ook naar in Pergamon actieve duistere stromingen. In de bad- en kuurgelegenheden ontwikkelde zich een naar het zinnelijke afglijdende cultuur van lichaamsverzorging, mode en schone schijn. Zoals Mercurius het denken beheerst, zo beïnvloedt Venus het gevoels- en seksleven (Schult, p.48). Door het aanwakkeren van driften en begeerten wordt in de door hartstochten verscheurde ziel het vermogen tot harmonie en zielsrust verzwakt. Dit leidt, aldus Schult, als gevolg van verstoord evenwicht in de ziel, tot allerlei lichamelijke ziekten. In zuivere vorm komt de sfeer van Venus tot uiting in geestelijke genezing en echte kunst, waarbij de geest de materie en begeerten vormend doordringt. Maar in een verduisterde Venus sfeer wordt de geest voortdurend verontreinigd door begeerten en treedt in plaats van de mystieke bruiloft van ziel en geest een geestelijke echtbreuk op en volgt wat in de Apocalypse hoererij wordt genoemd. Dat wil zeggen dat de geest door het driftleven wordt misbruikt voor genotbrengende zelfzucht. Dat is wat in Pergamon plaatsvond. In deze mondaine badplaats zijn de godenvereringen decadent, zoals die van Zeus, Asklepius en de keizer. Met de troon van satan zal in het bijzonder het monumentale Zeus altaar zijn bedoeld. Schult (p.49) wijst er nadrukkelijk op dat voor de toenmalige bewoners van Pergamon de bouwwerken niet zozeer culturele uitingen waren, maar een levende uitdrukking van bijgeloof en zwart-magisch geworden religie.

In het centrale derde deel van de tekst wordt op het verdorven Venuskarakter van deze cultuur gewezen in de vorm van de volgelingen van de leer van Balaam en de al eerder bij Efeze genoemde Nicolaïeten. Balaam of Bileam is een Aramese profeet uit de stad Pethor die omstreeks de 15de eeuw voor Christus leefde en bekend was met de Israëlische god Jahweh. In het Bijbelboek Numeri 22-25 wordt beschreven hoe de profeet Bileam door koning Balak van de Moabieten wordt verzocht om het uit Egypte getrokken Israëlische volk, dat aan de grens van zijn land de tenten heeft opgeslagen,  te vervloeken. Balak zal Bileam daarvoor rijkelijk belonen. In eerste instantie volgt Bileam, tot woede van Balak, de instructies van Jahweh door het Joodse volk niet te vervloeken maar juist te zegenen. Uit het vervolg (Numeri 31:16 en 2 Petrus 2:15) kan opgemaakt worden dat Bileam daarna toch gevallen is voor het verzoek van Balak. Hij adviseert Balak om de, weliswaar gezegende Israëlieten, te verleiden door middel van Moabitische en Midianitische vrouwen (Openbaring 12:14; Numeri 25). Vele Joodse mannen laten zich in met deze vrouwen en gaan er tevens toe over om hun afgoden te vereren. Steiner wijst er op (GA104a: 81) dat Bileam een zwarte magiër was. De zwarte magie vierde hoogtij in Egypte nadat de heilige leer van Hermes in verval raakte en de krachten van de materie voor egoïstische doelen werden aangewend. Een enorme zuivering moet door Mozes vervolgens voltrokken worden waarbij 24.000 leden van het Israëlisch volk sterven. Daarna verslaat het Israëlische volk alsnog de Moabieten. Sindsdien geldt Bileam als een gevreesd voorbeeld voor de Joden van de geraffineerde manier waarop het kwaad zijn werk doet. Bileam staat daarbij voor het gevaar dat wij ten prooi vallen aan de tegenkrachten die ons van onze goddelijke roeping willen afbrengen.  Bock (p. 65) wijst op een verwante betekenis van het volgeling zijn van Bileam. Onder deze volgelingen zou het nog gebruik zijn om naar woorden van in trance verkerende somnambulen te luisteren, zoals dit in de oudheid veel voorkwam. Nu is het aan de tijd om alleen met wakker bewustzijn te handelen. In de volgelingen van Bileam, zowel als in de sekte van de Nicolaïeten, is dezelfde tegenkracht werkzaam die de redding van de ziel van de mens wil verhinderen. Kovacs (p.37) beschrijft de magische praktijken die in Babylonie ontstonden door het beheersen van elementenwezens voor positieve en negative uitwerkingen. Wie dergelijke krachten kan overwinnen krijgt de belofte van het verborgen manna, dat is het gereinigde astraallichaam, Manas.

Het tweesnijdende scherpe zwaard

We lezen dat de inspirator van de brief aan de gemeente Pergamon spreekt over het tweesnijdende scherpe zwaard dat uit de mond van de Mensenzoon komt. Daarmee wordt het woord bedoeld dat uit de mond van de wijze komt die door het inzicht van de geestkracht de werkingen van het geestelijke in het stoffelijke benoemt. Het tweesnijdende scherpe zwaard wijst volgens Steiner ook op de noodzaak om onderscheid te maken tussen het scheppende woord dat tot de heerlijkheid van de geestelijke wereld voert en dat wat de duistere kant dient. De wijsheid die de mens kan verwerven en die zich uit in zijn woord, dat een reflectie is van waar zijn geest van bewust is, brengt tot het onderscheid tussen witte en zwarte magie. Het zwaard dat uit de mond komt is ons vermogen om tussen beiden te onderscheiden.

Het symbool van het tweesnijdende zwaard duidt ook op de vermenselijking van het scheppende goddelijke woord. Deze goddelijke kracht die de mens toevloeit noemt de bijbel manna. Maar daarin ligt meteen het gevaar dat het wetenschappelijke weten, dat zijn intrede doet, wordt misbruik en tot zwarte magie leidt (Steiner, GA 104a: 86).

Schult (p. 51) duidt het tweesnijdend scherpe zwaard in de mond van de Mensenzoon als het symbool voor het schepperswoord in het oerbegin en als goddelijke rechterswoord aan het einde. Het goddelijke woord dat alles schept en scheidt is het innerlijke woord van Gods geest dat louterend werkt in de ziel van de mens. Het vormt dat wat de Indier de antahkarana noemt, de brug tussen het geestelijke eeuwige en het zielsmatig vergankelijke wezen van de mens.

De witte keursteen

De inspirator van de brief aan Pergamon roept op om ons te bekeren en de scherpte van het inzicht te verwerven dat wordt vertegenwoordigd door het zwaard uit zijn mond. Dan zal de mens een witte keursteen krijgen met daarop zijn nieuwe naam. De gereinigde mens krijgt die nieuwe naam niet in een grote collectieve gebeurtenis. Het is geen collectieve diploma uitreiking. Het is een zeer intieme en individuele ervaring, waarbij de gereinigde persoonlijkheid een ontmoeting heeft met de Christus die hem bij zijn unieke naam noemt. Die naam is de roeping, de unieke missie, waarmee de individuele ziel aan het begin van de schepping werd geschapen en die de mens, door ervaringen verrijkt, mee terug brengt naar zijn Schepper aan het einde van het evolutiepad. Met het zwaard dat uit de mond komt wordt de nieuwe kwaliteit van de mens verbeeld waarmee hij kan scheiden tussen goed en kwaad, licht en duisternis. De mens zal beginnen om zijn innerlijke aanvechtingen te herkennen en zijn ziel te reinigen.  Pergamon is dan ook representant van het astraallichaam, dat zijn de in beelden weergegeven levendige vormkrachten zoals verlangens, voornemens, passies, etc. die de fysieke wereld te voorschijn roepen. Bock (p.71) verdiept deze boodschap verder door erop te wijzen dat elke gemeente een eigen belofte krijgt. Net als Dullaart (p.42) laat hij zien dat Efeze de belofte van de gift van de geest aan het fysieke lichaam krijgt (te eten geven van de boom des levens), Smyrna de belofte van  het behoud van de levenskrachten na de fysieke dood (bescherming tegen de tweede dood) en aan Pergamon wordt de belofte gegeven van de gift van het manna. Het eten van het verborgen manna is symbool voor de spijziging van de ziel met hemelbrood, voor de omvorming van de lagere astrale driften in het Manas, het hogere zelf (Schult, p.51). Het verborgen manna is de weg waarlangs de mens vanuit innerlijke geestkracht de naam van de onuitsprekelijke god Jahweh (Ik ben die Ik ben) leert kennen als zijn eigen ik. Ieder menselijk ik is in zijn oerbeeld een deel van het Christus-Ik. Op de witte keursteen staat de naam ‘Ik’, die niemand anders kan uitspreken dan degene die de drager is van dit Ik. Door de reiniging van ons gevoelsleven (astrale lichaam) vanuit onze Ik-kracht, kan ons hogere zelf zich ontvouwen, wat herkenbaar wordt gemaakt met de witte keursteen. Later wordt het resultaat daarvan zichtbaar in het beeld van het witte gewaad, dat nog veelvuldig ter sprake zal komen. Juist daardoor verheft de mens zich boven het dier doordat de dierlijke driften in het astraallichaam worden omgevormd (Steiner, GA 104a: 49). Hier wordt gedoeld op het geheim van de graal of de witte magie (Kovacs, p.37) De verleiding van satan is volgens de christelijke esoterie de kracht die de mens ertoe verleidt zijn dierlijke driften, zijn astraallichaam, niet te reinigen en te verheffen, maar neerwaarts te laten zinken, buiten de invloedssfeer van het Ik. Daar ‘woont satan’.

Dullaart ziet als kern van deze ontwikkkelingsfase dat de mens, nadat hij de moed opbrengt om de werking van het kwade om zich heen te zien, deze inspiraties ook in zijn eigen geest te onderkennen en met het tweesnijdende zwaard zich een helder oordeel te vormen over goed en kwaad. De derde voorwaarde voor geestelijke ontwikkeling die de mens leert is om niet terug te vluchten naar de (schijn)zekerheden van het verleden, maar strijdend door te stoten naar wat toekomstperspectief heeft.