Sardis ligt vlakbij het moderne Salihli en de naam is nog herkenbaar in het dorpje Sart. Sardis was de beroemde rijke hoofdstad van de provincie Lydia van het Romeinse rijk en dateert van ca. 5.000 voor Christus.  Herodotus beschreef de belangrijke rol van de koninklijke handelsweg tussen Sardis, dat enige tientallen kilometers van de kust ligt, en de grote steden Susa en Persepolis van het oostelijk gelegen uitgestrekte Perzische rijk. De stad was gebouwd op hoge rotsen en als echte Marsstad, alsdus Schult (p.62), werd er vaak om de stad gestreden. Via Sardis werd vooral intensief handel gedreven tussen Ionië en Anatolië. Restanten van de koninklijke handelsweg zijn nog steeds te vinden. In Sardis werd voor zover bekend het gebruik van gouden en zilveren munten al in de tijd van koning Croesos (zesde eeuw voor Christus) toegepast. Koning Croesos  hief vermoedelijk  tol op de handelsweg en vergaarde zo  zijn spreekwoordelijk rijkdom. De munten van edelmetalen hadden het grote voordeel dat zij de waarde die ze vertegenwoordigden tijdloos en in een kleine ruimte konden bewaren, wat niet gold voor alle bederfelijke waren zoals voedsel, wijn en olijfolie, waarmee voordien tol werd betaald.  Daarom kon de enorme rijkdom van Sardis blijven toenemen.

In de eerste eeuw na Christus is Sardis nog steeds een belangrijk administratief en handelsknooppunt waar zich sinds de vijfde eeuw voor Christus een grote Joodse en later ook christelijke gemeenschap vestigden. De grote economische rijkdom van Sardis met zijn ca. 100.000 inwoners is vermoedelijk ook de aanleiding voor de inspirator van de brief aan de christelijke gemeente te Sardis om te zeggen dat zij levend lijken maar, gezien vanuit de geestelijke opstanding, dood zijn. Nemen zij de weg terug naar de lichtwereld wel serieus genoeg?

Romeinse handelsweg dwars door Sardis. Foto: Kees Zoeteman, 1995

In Sardis is er niets meer dat wordt herhaald.

Met de brief aan de gemeente te Sardis zijn we beland in onze huidige cultuurperiode (1413 – 3573) die aan het gevaar blootstaat dat de nieuwe mogelijkheid om de weg terug naar de lichtwereld te gaan wordt verslapen. Het is het gevaar dat we denken dat we leven, terwijl we geestelijk dood zijn. We worden opgeroepen om het nieuwe vuur in ons niet te laten doven. Want als we niet wakker zijn, zullen we het moment dat we Christus innerlijk ontmoeten onopgemerkt voorbij laten gaan. Dat wordt onder meer bedoeld met zijn komst als een dief. Steiner (GA 346, p.75) wijst erop dat ons bewustzijn nog sterk lijkt op dat van de vorige periode waarin we ons bestaan ingeklemd voelden tussen geboorte en dood. Het bewustzijn van de geestelijke wereld zal gaandeweg in deze cultuurperiode groeien. Daarom wordt het onze opgave in deze tijd om bij onze medemensen te leren kijken voorbij de uiterlijke verschijning en te zien wat in hun ziel leeft. Want het is in deze vijfde cultuurperiode al aan de orde dat mensen het witte kleed krijgen, dat wil zeggen het Manas of hoger zelf ontwikkelen. Dit vormt het grote meest nabijgelegen doel voor onze mensheidsontwikkeling.

Een uniek gegeven voor de huidige, door Steiner als Germaans-Angelsaksisch aangeduide, cultuurperiode is dat er niets meer is dat moet worden herhaald vanuit de kleinere en grotere voorgaande kringlopen. De herinnering aan vroegere tijden ontbreekt bij het oppakken van onze huidige ontwikkelingsstap. Onze wereld zou geheel leeg, ‘goddeloos’, zijn geweest als niet in de voorgaande cultuurperiode de Christusimpuls zou hebben plaatsgevonden en innerlijk had doorgewerkt (Steiner, GA 104a, p.99).

De zeven geesten Gods

Het nieuwe begin dat voor de mens in de cultuurperiode van Sardis mogelijk is geworden, blijkt volgens Bock (p.67) uit dezelfde aanhef van de vijfde brief als bij de brief aan de eerste gemeente Efeze: ‘Hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren’. Schult (p.63) verklaart dat onder de zeven sterren, de zeven engelen van de gemeenten, de zeven aartsengelen van de planeten zijn te verstaan. Maar de zeven geesten Gods zijn van een nog hogere categorie. Zij zijn het zevenvoudige licht van de geest Gods, zoals dit zich in de zeven gaven van de Heilige Geest openbaart, en in de zeven scheppende geesten, de Elohim. Het zijn de zeven geesten voor Gods troon. Deze zeven geesten voor Gods troon zijn de hoogste geestelijke aspecten van de planeten en vormen tegelijk als wezensdelen van God de hoogste principes van het menselijke wezen. Dit toont hoe de Heilige Geest van God door alle planetaire ontwikkelingsfasen, en in het bijzonder als de Marskrachten sterk werkzaam zijn, louterend werkt op de ziel van de mens zodat het Manas kan worden gevormd. Steiner (GA104a, p.100) werkt dit aspect van de zeven geesten Gods die in de mens werkzaam zijn, verder uit. Zij vormen de zeven goddelijke ingrediënten waaruit de mens is opgebouwd: het fysieke lichaam, het levenskrachten- of etherlichaam, het gevoels- of astraallichaam, het Ik-bewustzijn dat vanaf de komst van Christus in de mens actief wordt, en drie hogere nog meer verfijnde lichamen die als kiem in elk mens aanwezig zijn. In het hindoeïsme en de theosofie worden deze drie kiemen aangeduid met Manas, Boeddhi en Atman. Zij ontkiemen doordat de mens vanuit zijn zelfbewustzijn kiezend voor liefde en moraliteit de eerste drie lichamen stapsgewijs zuivert en omvormt, waardoor de genoemde kiemen ontluiken. Dat gaat in fasen tijdens de huidige en volgende aarde incarnaties. Als eerste wordt het astraallichaam gezuiverd en omgevormd tot het Manas, dat het vermogen omvat tot liefde voor het universeel menselijke ofwel tot het één-worden met de werking van de Heilige Geest. Sardis staat hiervoor symbool. Daarna volgt, zoals ter sprake zal komen bij Filadelfia, het omvormen van het etherlichaam tot het Boeddhi. Dit is tevens het vermogen om vanuit de universele liefde anderen te genezen en om deel uit te maken van de werkzaamheid van de Christus, de Zoon. En tenslotte volgt de omvorming van het fysieke lichaam tot het Atman, de godsvonk, waarvoor Laodicea symbool staat. Deze godsvonk representeert het vermogen om vanuit de levenwekkende liefde te scheppen met het woord en deel te nemen aan het wezen dat met de Vader wordt aangeduid. Dan heeft de mens het goddelijke stadium bereikt dat in hem bij de aanvang van de schepping werd aangelegd en ontmoet hij zijn Schepper van aangezicht tot aangezicht.

De tweede dood

Steiner geeft aan dat de zeven sterren, zoals ook bij de bespreking van de brief aan Thyatira aan de orde kwam, ons laten begrijpen wat de huidige mens is en wat hij in de toekomst vanuit zijn aanleg zal worden. De sterren vertegenwoordigen mede de zeven aarde incarnaties, aangeduid met Saturnus, Zon, Maan, Aarde, Jupiter, Venus en Vulcanus, namen die we hier los moeten zien van de planeten zoals we die nu kennen. Ook staan ze voor de zeven cultuurperioden die zij leiden. De brief aan Sardis laat zien dat wij in deze dieper in de materie afdalende vijfde cultuurperiode van de Na-atlantische tijd, vanuit de Ik-kracht die ons is geschonken, de grote individualiteit van Christus in een opwaartse beweging naar de wereld van de geest kunnen volgen. Die Christuskracht is nodig als tegenwicht voor het als nooit tevoren dieper in de materie afdalen van de mens. Steeds meer van onze geestkracht wordt besteed aan het bevredigen van onze stoffelijke behoeften, in plaats van aan het terug vinden van de wereld van de geest. Wat wordt er niet bedacht om bijvoorbeeld onze maag met steeds exotischer eten te vullen? De Christus impuls, die naar Steiner zegt nog maar aan het begin staat van zijn kracht, houdt ons de zeven geesten die de cultuurperioden leiden voor om de weg omhoog te vinden. De weg die ons is geboden in de cultuurperiode van Thyatira moet in de huidige cultuurperiode van Sardis daadwerkelijk worden ingeslagen. Niet door de stoffelijke wereld af te wijzen maar door deze te doorgeestelijken en zo te bevrijden van geestdodende toepassingen en daarmee van ‘de tweede dood’. De tweede dood is het niet meer opgenomen zijn in de opwaartse stroom naar de hogere geestelijke werelden van ruimer bewustzijn.

Het witte kleed en de wereld van het geld

Steeds sterkere krachten trekken het ‘nog maar pas’ geboren Ik van de mens in de richting van een neerwaartse, materiegerichte beweging. Schult (p.62) stelt dat in Sardis werkzame Marskrachten de mens binnen voeren in de stoffelijke wereld waar de geest moet sterven. Ook Kovacs (p. 50) ziet als gevolg van het Mars principe dat werkzaam is in onze cultuurperiode dat de individuele ziel van de mens zich afscheidt van de groepsgest. Tegelijk is het onze opdracht om een neiuwe soort gemeenschap te vormen. In onze cultuurperiode is de belangrijkste opdracht de juiste verhouding tussen het individu en de gemeenschap te vinden. De opdracht van de mens in Sardis is om in de wereld van de dood de geest opnieuw te wekken. Daarop wijst ook Dante in zijn Divina Comedia als hij in het midden van de Marssfeer een lichtend kruis laat verschijnen. In de wereld van het geld zijn die neerwaartse krachten erg sterk. Steiner laat 24 juni 1908 zien dat de persoonlijkheid in het bankwezen steeds verder versplintert. Hadden de eerste Rothschilds nog een persoonlijke betrokkenheid bij hun bankactiviteiten en klanten , later is het bankwezen onpersoonlijk geworden. Het kapitaal is zichzelf gaan vertegenwoordigen en ontdaan van elke persoonlijke betrokkenheid. De persoonlijkheid is machteloos geworden. In geldzaken moet de mens weer de touwtjes zelf in handen gaan nemen. Vandaar de oproep om ons te bekeren, om ons zelfbewustzijn niet in te laten slapen en om het begin van het ontwaken van ons nieuwe energielichaam, het Manas, hier aangeduid als een wit kleed, -een gereinigd astraallichaam-, niet te verhinderen. Schult (p.65) legt bij het witte kleed ook een verband met de gelijkenis van de koninklijke bruiloft die in Mattheus 22 is beschreven. Alleen de genodigden die in bruiloftskleed verschijnen worden toegelaten in de bruiloftszaal. Hier wordt de mystieke koninklijke bruiloft van de ziel met de geest gevierd, nadat het driftleven is doordrongen door de Heilige Geest. Tot de bruiloft worden mensen niet uitgenodigd wegens hun komaf of huidskleur of hun morele verdienste, want goeden en slechten worden genodigd tot het bruiloftsmaal. Het enige dat beslissend blijkt is hun open staan voor God. Kovacs (p.51-53) vat dit samen als de opdracht om in vrijheid het mensen Ik te verbinden met het gemeenschappelijke Ik van de mensheid. Alleen door de Heilige Geest is het mogelijk het individuele mensen Ik met de doelen en opgaven van de gemeenschap in overeenstemming te brengen. Niet de menselijke willekeur maar alleen de Heilige Geest kan gemeenschapsvormend werken. En de huidige mens kan de toegang tot de Heilige Geest vinden door het levende denken: het openstaan voor de ingevingen van de Heilige Geest. Het witte gewaad is een beeld voor het ervaren van de Heilige Geest.  

Kovacs (p.80-82) laat na het eerst beschrijven van de afdaling van de intelligentie in vier fasen, zien dat in de vijfde cultuurperiode het gevaar dreigt dat de intelligentie tot het kwade driegt te leiden als de intelligentie niet wordt ‘doorchristelijkt’ en tot vergeestelijking leidt. Een vorm van dit kwade is bijvoorbeeld terug te vinden in het geheel onpersoonlijk worden van het bankensysteem, waar de ‘machine de mensem beheerst’. De intellgentie heeft de neiging om systemen te scheppen waaraan de mens zich moet onderwerpen of waardoor de mens wordt onderdrukt. En daarmee begint de heerschappij van het boze. En wanneer Michael over ongeveer twee eeuwen als tijdgeest wordt opgevolgt door Oriphiel zal de onderdrukking nog ernstiger vormen aannemen en zal het gellof aan een bovenzintuiglijke wereld als een ziekte behandeld worden, die moet worden weg gesaneerd. OMdat in onze vijfde cultuurperode de intelligentie in het boze verzinkt kan deze cultuurperiode niet meer worden voorgesteld in het Zegeltijdperk als een ruiter op een paard. De goddelijke leiding van de intellgentei houdt hier op en is nu een kwestie waarbij de mens zelf de leiding heeft. De belofte die de mensen die voor het doorchristelijket denken keizen mee krijgen is dat zij in het Zegeltijdperk een wit kleed zullen krijgen.  

Ook wijst Steiner erop (GA 348, p.80) dat we in deze cultuurperiode ons bewuster worden van hoe de dood ons tijdens ons leven begeleidt, al doorzien we niet het moment waarop we zullen sterven. De mens zal de dood voortdurend als begeleider om zich heen gaan weten en dat maakt dat hij een voortdurende wakkerheid van zijn ziel moet ontwikkelen. Dit houdt verband met het gegeven dat na de Atlantische tijd, het midden van de Aarde incarnatie, waarin levens- en doodskrachten elkaar in evenwicht hielden, in de volgende fasen de doodskrachten steeds dominanter worden. Dat geldt ook voor onze vijfde cultuurperiode (Schult, p.63-65). De ontwikkeling van het intellect en het zelfbewustzijn heeft de mensen steeds meer aan de stoffelijke wereld gebonden. Daardoor worden de geestelijke levenskrachten steeds zwakker. De mensen worden meer aardegebonden, nuchterder, zelfzuchtiger, ontzielder. Maar het dominant geworden intellectuele begrip wordt door God niet als volwaardig gezien. In deze cultuurperiode moet de tweespalt tussen weten en geloven overwonnen worden doordat ons weten door geestelijk inzicht tot een harmonisch samengaan met ons geloven komt. Alleen het geestelijk levende idee is een werkelijkheid die voor God telt. Niet alleen het schouwen van het idee is het hoogste doel, maar de verwerkelijking van het idee in de fysieke wereld. Daarvoor moet onze wil wakker worden. Dan kan de mens het witte kleed ten deel vallen en stand houden tegenover de machtiger wordende tegenkrachten. Schult ziet onder meer als voorbeelden van mensen die deze weg zijn gegaan Paulus, Johannes, Dionysios de Areopagiet, Joachim van Fiore, Franciscus, Dante, Wolfram von Eschenbach, Jakob Bohme, Novalis, Jakob Lorber, Rudolf Steiner, Dostojewski en Solovjew. Er zijn natuurlijk ook vrouwen die deze weg zijn gegaan zoals Apollonia van Alexandrië,  Catharina van Siena, Jeane d’ Arc en Theresia van Ávilla.

Op 24 juni 1908 gaat Steiner ook nog dieper in op andere belangrijke gebeurtenissen in onze vijfde cultuurperiode. Hij signaleert aan het begin van de twintigste eeuw dat op dit moment nog maar het begin zichtbaar is van wat hij een huwelijk tussen volkeren noemt, een huwelijk tussen de in het Westen ontwikkelde verstandscultuur en de uit het Oosten komende spiritualiteit. Juist door het ontwikkelen van een spiritueel leven kan een nieuwe mensheid ontstaan waarin de Christus impuls verder kan leven, de zesde cultuurperiode van Filadelfia tegemoet. Die nieuwe mensheid bestaat uit de verzegelden uit alle naties en stammen die witte klederen zullen dragen. Het is aan ieder mens zelf om de verbinding met het spirituele leven te vinden, om mee te gaan naar de volgende fase in de mensheidsontwikkeling (Steiner, GA 104a, p.39).

Wetenschap opnieuw verbonden met spiritualiteit

In de cultuurperiode van Sardis krijgt de wetenschap met de Renaissance een nieuwe impuls. Deze bouwt voort op wat via het Mohammedanisme en de wijsheid van het Arabisme via Spanje Europa binnen is gekomen. Deze wetenschap is groot in alles wat zich op het zintuiglijk waarneembare richt (Steiner, GA 104a, p.91) en heeft Francis Bacon en Baruch Spinoza sterk beïnvloed. Maar deze wetenschap kan niet boven het zintuiglijke uitstijgen. Veel eerder kon ook Augustinus dit niet en bleef het Manicheïsme voor hem ontoegankelijk. In de huidige cultuurperiode beleven we opnieuw de wetenschap die in de Egyptisch-Chaldeeuwse cultuurperiode werd ontwikkeld, maar nu doortrokken met de Christus impuls, zoals tot uitdrukking komt in de leer van de Rozekruisers (Steiner, GA 104a, p.92). De vijfde cultuurperiode heeft als roeping om de geestelijke wereld, die achter de zintuiglijke verschijnselen ligt, te hervinden en achter de ellipsvormige banen van de hemellichamen weer de wezens te zien die door de hemelruimte bewegen.

Wat de doorwerking van de Christus-impuls in de  wetenschap in de huidige cultuurperiode betreft, komt Steiner tot vergaande uitspraken. Alle wetenschappen zullen in de toekomst de Christus vinden. De toekomstige mens zal niet meer van atomen spreken maar hij zal wetenschappelijk inzien dat de aarde uitdrukking is van Christus. We staan pas aan het eerste begin van deze ontwikkeling die tot verdere culminatie komt in de Filadelfia cultuurperiode. (Steiner, GA 104a, p.93)

Het verborgen verband tussen de brieven aan Pergamon en Sardis

Sardis is een Marsgemeente en Pergamon een Venusgemeente. Beide planeten werken in op het driftleven, het astrale lichaam, van de mens. Mars werkt versterkend op de wil en Venus louterend en harmoniserend op het gevoel, aldus Schult (p.71). Door het ware huwelijk tussen de verheven aspecten van deze twee krachten wordt de driftgedreven ziel van de mens omgevormd tot de geestziel, het Manas. Dat komt tot uiting in de inleidende spreuk en de overwinningsbelofte van de brieven aan deze twee gemeenten. In de derde brief, aan Pergamon leerden we het tweesnijdende zwaard kennen, het verborgen manna en de witte steen met de nieuwe naam, als zinnebeelden van de geestziel, het Manas. In de vijfde brief, aan Sardis, zijn het de zeven geesten Gods die door de aartsengelen van de planeten de driftgebonden ziel van de mens transformerend bewerken, en die samen met het witte gewaad en de naam in het levensboek het Manas verbeelden. Zo wordt de verborgen samenhang van de Venus- en Marssfeer in beide brieven openbaar.

Steiner (GA 180, 11e voordracht, 8 januari 1918) heeft over de werking vanuit de planetensferen tijdens een tijdperk dat het lentepunt van de zon door een dierenriemteken gaat in breder astrologisch verband een aantal opmerkingen gemaakt. ‘Zoals Venus zijn Huis in Stier heeft, Mars zijn Huis in Ram, zo heeft Jupiter in Vissen zijn Huis. En Jupiter hangt samen met de ontwikkeling bij de mens van het voorhoofd. Groot kan de mens tijdens deze vijfde cultuurperiode worden omdat hij op zelfstandige menselijke manier de kracht van zijn hoofd kan veredelen en kan begrijpen wat hem vanuit de eerdere Na-atlantische culturen wordt aangereikt. Jupiter moet in de vijfde Na-atlantische cultuurperiode bij de mens hetzelfde bewerkstelligen als wat Mars in de vierde cultuurperiode moest bereiken. Je zou kunnen zeggen dat Mars in een bepaald opzicht de rechtmatige koning was van de vierde Na-atlantische cultuurperiode en wat groot kan maken in de vijfde cultuurperiode niet van Mars kan komen. Dat moet komen van van de krachten van het geestelijke leven en de wereldbeschouwing. De mens van nu is afgesloten van de hemelse krachten, hij is verbannen naar het materialistische tijdperk. Maar hij heeft in dit vijfde Na-atlantische tijdperk de grote mogelijkheid zich te vergeestelijken. Juist dit tijdperk is gunstig voor de mens om zich te vergeestelijken. De mens moet slechts de moed vinden  de kooplieden uit de tempel te verjagen. Hij moet slechts de moed vinden om tegenover de abstracties, tegenover de dingen die werkelijkheidsvreemd zijn, de werkelijkheid te stellen, de volle werkelijkheid en daarmee de geestelijke werkelijkheid.’

Het valt overigens op dat Steiner de rol van de planeten wat anders schildert dan Schult. Schult noemt de Sardis cultuur een Marscultuur, en Steiner een Jupiter cultuur. Steiner vermeldt echter (GA 180, 189 e.v.) dat de vroegere astrologen aan elke constellatie (Maan-Kreeft, Mercurius-Tweelingen, Venus-Stier, Mars-Ram, Jupiter-Vissen, etc.) met recht een drietal ‘decanen’ hebben toegedeeld. Deze drie decanen zijn de planetensferen die tijdens een tijdperk moeten ingrijpen in de gebeurtenissen terwijl andere planeten op die momenten minder werkzaam zijn. Zo zijn de decanen in de eerste cultuurperiode waarin de Kreeft heerst Venus, Mercurius en Maan. De decanen tijdens de tijd van de Tweelingen zijn Jupiter, Mars en Zon. Die tijdens het Stier tijdperk zijn Mercurius, Maan en Saturnus. Tijdens het vierde tijdperk van Ram zijn het Mars, Zon en Venus. En de decanen tijdens ons vijfde tijdperk van Vissen zijn Saturnus, Jupiter en Mars. Mars nu in zijn hoedanigheid als menselijke kracht. Deze trojka van planeten in elk tijdperk verklaart hoe Schult en Steiner verschillende accenten kunnen leggen zonder dat hier tegenstrijdigheden hoeven te ontstaan.

Parcival en de heilige graal

Een legende die passend is voor de huidige cultuurperiode is die van Parcival en de heilige graal (Steiner, GA 104a, p.103). Na de deemoedige overgave die eerder werd vereist, is nu de tijd gekomen dat het ik in de mens vragen stelt. Wie alleen passief opneemt wat tot hem of haar komt, kan niet meer boven zichzelf uitstijgen. De ziel moet vragen en uit zichzelf naar buiten groeien, net zoals Parcival moest leren vragen naar de geheimen van de graalburcht. Wat nu door de geeststroming van de Rozekruisers wordt uitgedragen is een wijsheid die direct met geestesogen is waargenomen in de geestelijke wereld. De mens maakt zich zo tot een levendige ontvanger van datgene wat als Jahveh-Christus openbaring aan Mozes en Paulus werd gegeven. De wijsheid van de vijfde cultuurperiode zal als liefdesbloem opbloeien in de zesde.