Kees Zoeteman en Astrid van Zon

Over het lichtende kernbegrip van de zesde straal, de broederliefde, wordt bar weinig expliciet geschreven in de Apocalypse. We zullen extra moeite moeten doen om daar toegang toe te krijgen. Een toegang die, naar wij kunnen vermoeden, niet alleen via ons denken maar ook via ons voelen en willen verloopt.

Broederliefde

Het begrip broederliefde vinden we terug in de naam van de gemeente Filadelfia waaraan de zesde brief is gericht. Deze gemeente is vernoemd naar de broederliefde van koning Eumenes II (197-160) van Pergamon, die met deze naam zijn liefde voor zijn broer en opvolger Attalus II (159-138) uitdrukte. Filantropos betekent ‘hij die zijn broeder liefheeft’, zoals we bij de uitleg van tekstfragment 9 kunnen lezen. We vinden dus  een indirecte verwijzing via de naam van de gemeente naar de broederliefde. De Apocalypse brengt ons echter op een heel andere manier op het spoor van een diepere betekenis van de liefde die hier wordt bedoeld, en die in het Nieuwe Testament vaak onder de algemenere term van naastenliefde is terug te vinden.    

Zie, geven zal ik je menigeen uit de synagoge van de satan, uit degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen. Zie, maken zal ik, dat zij komen, en zich neerwerpen voor je voeten, en bekennen, dat ik je heb geliefd. (Op 3: 9-10)

Voor de gemeente Filadelfia geldt dat niet alleen zichtbaar wordt dat een deel van de mensen elkaar als broeders liefhebben, maar dat iets veel groters openbaar wordt, namelijk dat Christus hén als broeders liefheeft. Dáár ligt de wortel van hun broederliefde.

Broederliefde kenmerkt zich ook door het niet langer gebonden zijn aan het bloed (bloedsbanden binnen de familie) maar aan de menselijke ziel. Een voorbeeld hiervan zijn de woorden die Christus aan het kruis spreekt tot Johannes en Jezus’ moeder Maria: ziet hier uw moeder, ziet hier uw zoon. Niet de bloedband maar het deel hebben aan dezelfde collectieve menselijke ziel stelt hij voorop.

We kunnen de broederliefde ook als de vervolgstap zien op een proces dat al bij de vierde straal is begonnen.  Bij de vierde straal is het nieuwe geschenk aan de mens dat hij een zelfbewustzijn krijgt, ofwel dat hij zich als individu in een groep en zijn omgeving gaat ervaren. Hij is verwant met de groepen waartoe hij behoort en leert zich te verhouden tot zijn omgeving zodat hij hierin kan overleven. Maar tegelijk is hij anders. Bij de vijfde straal groeit dit zelfbewustzijn en het anders zijn naar een hoger niveau, namelijk dat dit betekent dat de manier waarop de mens zijn anders zijn vorm geeft, zijn verantwoordelijkheid wordt. De mens is op de vijfde straal verantwoordelijk voor zijn daden. En bij de zesde straal evolueert dit verantwoordelijk zijn voor onze daden tot het vrijwillig gaan handelen vanuit broederliefde. Bij de zevende straal zullen we zien dat hier tenslotte nog aan toe wordt gevoegd het zich vrijwillig dienstbaar maken voor het geheel.

Al komt het woord broederliefde niet veel voor in de Apocalypse, een aantal daarmee nauw in verband staande begrippen ontmoeten we wel. Voorbeelden zijn de ‘sleutel van David’, de kroon die we niet moeten laten stelen en het vooruitzicht van het worden tot een pilaar in de tempel van God.  Na het bespreken van de bron van de broederliefde zal bij deze verwante begrippen worden stilgestaan.

Christus als bron en einddoel van de broederliefde

Bij de zesde straal wordt naar het centrum van de spiraal toe steeds beter zichtbaar dat Christus de bron van de broederliefde is. Immers, de bron van de liefde is het ik van de mens en dat wat als Ik in de mens leeft, is het Christuswezen zelf, aldus Rudolf Steiner (GA 13, p.294). Dit is weer zo’n openbaring waarvan de betekenis slechts langzaam tot ons doordringt. Wij mensen zijn individuele ikken, maar tegelijk zijn we opgenomen in een geheel dat met het Christuswezen wordt aangeduid. Uit dat Christuswezen zijn we ontstaan en tot dat Christus wezen zijn we geroepen, na onze evolutie, terug te keren. (zie ook https://anthrowiki.at/Ich)

Rudolf Steiner merkt hierover verder op (GA 114, p.166): ‘Wanneer de mens in toekomstige millennia alles wat aan kracht van het Christus-Ik kan uitgaan zich eigen heeft gemaakt, dan zullen Ik-werkingen van de mensen kunnen uitgaan zoals die destijds vanuit de Christus in de mensheid zijn uitgestraald’. Hier wordt op het Buddhi gedoeld als bron van de broederliefde. “Het (menselijke) Ik zal aan het einde van de aarde ontwikkeling zo zijn, dat het de gehele Christus  in zich heeft” (GA 114, p.188). 

In de idee van de Christus is een ideaal vervat dat alle met de individualisering gepaard gaande afzondering tegenwerkt, want in de mens, die met zijn Ik de Christusnaam draagt, (IK: Iesus Kristos) leven ook de krachten van het hoge zonnewezen, waarin ieder menselijk Ik zijn oergrond vindt. Daarom kan Steiner ook zeggen: “Dat, wat als Ik in de mens leeft, dat is het Christus-wezen” (GA 109, p.154).

De rol van de Heilige Geest bij de evolutie van het Ik-bewustzijn en de broederliefde

De mensheid is volgens Steiner (GA 96, p. 222e.v.) uitgegaan van een eenheid, die tijdens de huidige aarde ontwikkeling echter tot afzondering van de individuen heeft gevoerd. In een gelijkenis schildert hij hoe dit proces is gegaan.

‘In de Lemurische tijd is de mens nog heel anders dan nu. Hij beschikt nog niet over zintuigen en een verstand zoals wij dat kennen, maar kan met zijn wil magische verschijnselen bij bijvoorbeeld planten oproepen. Op de fysieke aarde zijn er dan al wel mineralen, planten, dieren en wezens die niet gelijk aan ons mensen waren, maar die tussen dieren en mensen in stonden en die rijp waren om de menselijke ziel te ontvangen. We kunnen ons de lichamen van deze ‘diermensen’ voorstellen als sponzen en die van de zielen van de mensen als waterdruppels die nog verenigd waren in een totale watermassa. Deze watermassa omhulde al het gewemel van wezens als een ziel, zoals nu de lucht al het levende op Aarde omhult. In deze omhullende waterachtige ziel was nog niets afgezonderd, zoals waterdruppeltjes in de zee ook niet van elkaar onderscheiden kunnen worden. En destijds werd vervolgens het water door de sponsjes opgezogen, waarbij ieder sponsje zijn eigen waterdruppeltje (astraal lichaam) verkreeg. Wat eerst éénvormige ziel substantie was, werd opgezogen door de mensenlichamen en over hen verdeeld. Daardoor ontstond pas de menselijke ziel. Zonder dit proces zou de menselijke substantie zich nooit in vele enkelvoudige individualiteiten hebben afgescheiden. Maar daarmee begon ook het proces waarmee de mens zich afscheidt van zijn omgeving en een eigenstandig bewustzijn, astraal lichaam, krijgt. Voordien was de mens onderdeel van de wereldziel, was opgenomen in de schoot van de goden en had van binnenuit toegang tot de wijsheid in plaats van via zijn zintuigen. Door deze ontwikkeling kreeg de mens het vermogen om ‘Ik’ tegen zichzelf te zeggen, in tegenstelling tot de helderziende vermogens die de mens hiervoor had en die meer een vorm van droombewustzijn vertegenwoordigden. Zelfbewust was deze vroegere diermens nog niet. Het menselijke zelfbewustzijn was, voor de mens zich in een fysiek lichaam manifesteerde, nog collectief aanwezig als de Heilige Geest, veelal uitgebeeld als een duif. Deze Heilige Geest kan nog steeds in het collectief van de mensheid worden gevonden. “Wenn Sie alle Ich-Bewußtseine zusammenwerfen und damit auch von dem Egoismus trennen würden, würden Sie den Heiligen Geist wiederum bekommen,” aldus Steiner.’ En in de Heilige Geest is ook de werking van de Christus in de mens nabij.  

Steiner gaat ook kort in op de afloop van dit evolutieproces. ‘Het Ik-bewustzijn dat de mens wordt geschonken, zal nog blijven bestaan na de laatste incarnatie van de mens. Wat tevoorschijn komt uit de gemeenschappelijke geestelijke substantie zal daarna weer samenvloeien. Daarvoor kan het volgende beeld, in aansluiting op het eerdere beeld van de sponsjes, gelden. Oorspronkelijk was het helder water dat de sponsjes hebben opgezogen. Maar in de incarnaties hebben de individuele mensen uit hun omgeving van alles opgenomen. Elk waterdruppeltje kleurt zich met een bijzondere schakering. Als de sponsjes weer uitgeperst worden  brengt elk zijn eigen kleur mee. Deze veelheid van kleuren geeft een mooier pallet dan daarvoor ooit mogelijk was geweest. Elk mens brengt zijn bijzondere kleuring mee als hij terugkeert naar het Al-geestelijke. Dat is zijn individuele bewustzijn dat niet verloren kan gaan. Een harmonie van samenklinken van kleuren zal het Al-bewustzijn zijn. In vrijheid zullen de wezens die door de mensheidsfase zijn gegaan een eenheid vormen. Zo moeten we ons het begin en het slot van ons huidige wereldproces voorstellen.’           

Hoe maak je de ontwikkeling naar broederliefde door?

Constateren dat je de ontwikkeling naar broederliefde door kan maken is één ding maar hoe je dat doet is een tweede. Dit staat in verband met het komen tot een vorm van sociale vernieuwing, die zijn diepste wortels heeft in de gebeurtenissen die Rudolf Steiner het mysterie van Golgotha noemt: de kruisdood en opstanding van Christus. Christus heeft zich met de mens Jezus van Nazareth verbonden om de doodskrachten te overwinnen en moet nu zelf die doodskrachten ondergaan en beleven. Omdat Christus, als deel van de drie-eenheid van God, zich in liefde met de aardse wereld en met de mens verbonden heeft tot in het materiële, is de impuls van deze gebeurtenis in iedere mens en in de wereld aanwezig. Ieder mens kan innerlijk actief de gebeurtenissen aan het kruis meebeleven en de ervaringen van Christus zelf doorleven. De Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921 – 1986) geeft aan dat de mens, net als Christus aan het kruis, de verlatenheid van God moet doorleven, zelf moet sterven om in de leegheid in het diepst van zijn kern de ‘christussubstantie’ te ervaren en tot opstanding te komen (Mennekes, Christus Denken (1996), 33-34). Hij baseert zich daarbij op Steiner die zegt dat de mens niet bij de uiterlijke gebeurtenissen van het mysterie van Golgotha  stil moet blijven staan maar juist de innerlijke  gebeurtenissen moet beleven en inleven om tot ontmoeting met Christus te komen en de liefde van Christus te ervaren. (GA 175, p. 332). Door de ontmoeting met Christus dichterbij te komen kan de mens in zichzelf de opstandingsimpuls gaan ervaren. Door de liefde van Christus in zichzelf te ervaren, kan de mens zich op een nieuwe scheppende wijze verbinden met zichzelf, de omgeving en de ander. De mens kan zichzelf bevrijden van krachten, in en buiten zichzelf, die hem beheersen, conditioneren en onderdrukken. Beuys noemt de mens die deze nieuwe verbinding tot stand brengt kunstenaar.  Door dit kunstenaarschap kunnen mensen met elkaar aan een ‘sociale plastiek’ bouwen. Kenmerkend hiervoor is dat de Christusimpuls hierin werkzaam is. De liefde van Christus werkt tussen de mensen en wordt beleefbaar in gelijkwaardigheid en liefde voor ieder individu en zijn ontwikkeling. De opgave is om de opstandingsgedachte  geestelijk in de mens scheppend te laten worden (GA 175, p.338). De mens die dit hogere bewustzijn veroverd heeft, kan, door de liefde van Christus die werkzaam in hem leeft, zelf bijdragen aan zijn lot en dat van de aardetoekomst. Hierdoor kan de mens zich in vrijheid met de ander en de wereld verbinden en medeschepper worden en verantwoordelijkheid nemen  voor het geheel.

Er zijn diverse ingangen om innerlijk de verbinding met Christus aan te gaan. Eén daarvan is meditatie. Door met de inhoud van de gebeurtenissen van het mysterie van Golgotha te mediteren en het ervaren van de liefde van Christus die met deze gebeurtenis verbonden is, wordt innerlijk steeds vaker de kracht mogelijk om boven het eigen ego uit te stijgen en de keuze te maken voor het geheel. In situaties in leven en werk, die  bedreigend en pijnlijk zijn, kan je de neiging in je zelf ervaren om jezelf terug te trekken of een reactie te geven die de verbinding met de ander of het geheel doorbreekt. In die situaties sterkt de meditatie de kracht om liefde te blijven ervaren en in verbinding te blijven. Dan blijf je verbonden met de levensstroom en de wereld en kun je scheppend blijven werken. Dat er altijd zo’n keuzemoment is, word je je steeds meer bewust. De verantwoordelijkheid om een juiste keuze te maken en in verbinding te blijven in plaats van afgesneden te raken, kan de liefde ook in anderen wekken.

De sleutel van David

In de zesde cultuurperiode van Filadelfia zal, volgens Steiner (GA 104, p.85), de mens zijn Ik zo ontwikkeld hebben dat hij zelfstandig en in vrijheid anderen met liefde tegemoet kan treden. Met behulp van onze sterkere Ik-krachten kunnen we van buiten komende krachten in overeenstemming met onze wil wel of niet in ons toelaten. We kunnen de deur van ons hart openen of sluiten volgens onze wil en niemand kan binnen komen dan wanneer wij dat toestaan. Dat wordt met ‘de sleutel van David’ bedoeld. Bock (p.68) gaat hier dieper op in. Als de mensen hun harten openen in deze zesde cultuurperiode kunnen niet alleen hun medemensen hun hart binnen treden, maar ook hebben duistere wezens in deze periode steeds meer kracht, wat ertoe kan leiden dat onze harten vanuit gevoelens van angst zich sluiten. Christus zal de mens die zijn hart bewust opent, tonen dat hij hem liefheeft. Dat vraagt van ons wakkerheid, en tegenwoordigheid van geest om te onderscheiden of anderen met morele of immorele intenties toegang tot ons hart zoeken.

In zijn interview beschrijft Bastiaan Baan (zie Blog van 16 januari 2022) de sleutel Davids als ‘de faculteit in jezelf die in staat is, -als je het goed hanteert-, om de deur wijd open te zetten voor iets of iemand die je op dat moment bij je binnen laat komen; en op het volgende ogenblik zeg je: nu sluit ik de deur en ga ik bij mezelf te rade. Het is het vermogen om voor jezelf een harmonisch evenwicht te scheppen, een wankel evenwicht tussen de wereld die van buitenaf bij je binnenkomt en die binnenin je leeft. Steiner gebruikt tijdens de Apocalypse cyclus in Neurenberg voor dit laatste de uitdrukking “Das Ich, dass in sich selbst sich gefunden hat”. Een geweldige uitdrukking. Dat is iets wat je voortdurend moet hanteren om staande te blijven in onze samenleving.’

We zien hieruit dat het Ik moet leren het heft in eigen hand te nemen en zo de eigen integriteit in het contact met anderen te bewaren. De mens is pas integer als hij of zij vanuit liefde leert handelen.

De kroon

Zoals we vonden dat er een sleutel is, die het afsluiten en ontsluiten van de poort naar de broederliefde beheerst, zo gebruikt de Apocalypse nog een ander symbool, namelijk dat van de kroon.  Houdt wat je hebt, opdat niemand je kroon neemt (Op. 3: 12). Kennelijk kunnen we tijdens de verzoekingen die komen onze kroon verliezen.

Bij een kroon denken we aan een teken van koninklijke waardigheid, een koninklijke waardigheid die oorspronkelijk aangaf dat de koning in dienst stond van God en nu erop wijst dat ieder mens in beginsel toegang tot die koninklijke waardigheid kan krijgen en die we onophoudelijk levendig moeten houden. Hier gaat het over de kroon als gave van de verbinding met Christus, die de mens -zelfs bij diepgaande vernederingen kan behouden. Een recent voorbeeld  is getoond in de  film The Mauretanian, onder directie van Kevin Macdonald. Mohamedou Ould Slahi is de hoofdpersoon in deze film die op ware gebeurtenissen is gebaseerd. Hij werd door de VS gearresteerd in de nasleep van 9/11 op verdenking van terroristische activiteiten en werd 14 jaar in Guantanamo Bay gevangen gehouden zonder een vorm van rechtspraak en formulering van een aanklacht. In een dagboek dat hij tijdens zijn gevangenschap bijhoudt, vertelt hij over de jarenlange vernederingen, zijn isolement, de verboden verhoormethoden en de martelingen. In een interview met hem op 6 november 2021 in Den Haag bij het Crossing Border festival werd hem gevraagd hoe het kan dat hij liefde voor zijn folteraars kan hebben. Hij gaf als antwoord dat hij zich nog redelijk in het begin van zijn gevangenschap afgevraagd had hoe hij zelf ten opzichte  van zijn medemens leefde. Hij constateerde dat hij te weinig aandacht had voor de ander, zelfs voor zijn familie. Hij besloot op dat moment ieder mens met liefde aandacht te geven. Het helpt hem om innerlijk vrijheid te ervaren en menselijk te blijven. Ondanks zijn terugkerende nachtmerries en lichamelijke klachten, overblijfselen van zijn detentie,  toont hij compassie voor de mensen die hem zijn vrijheid hebben ontnomen en gefolterd hebben. Hij kan hen vergeven. Daaruit blijkt dat hij zijn kroon nog draagt. (https://www.imdb.com/video/vi2024980505/?ref_=tt_vi_i_1)

In de Kabbala wordt de Kroon of Kether gerekend tot de hoogste Sefira. Kether is het doel van de spirituele zoektocht en de directe uitdrukking van de goddelijke wil die het menselijke begrip ver te boven gaat.

Arthur Schult (p.79) vergelijkt de verwijzing naar de kroon in de zesde brief aan Filadelfia met die in de tweede brief aan Smyrna, waar Christus nog zegt: Wees trouw tot in de dood en ik zal je de kroon van het leven geven. Schult constateert dat de gemeente Filadelfia deze kroon van het leven al draagt: Houdt wat je hebt, opdat niemand je kroon neemt. De kroon verwijst in de brief aan Filadelfia volgens Schult naar de levenskroon die in de brief aan Smyrna wordt genoemd. De levenskroon is niet een voorwerp, maar een verwantschap met ‘de Eerste en de Laatste’, een verwantschap die ons tot leven wekt (Bock, p.75).

De levenskroon kunnen we ook zien als het teken dat deze mens is ingeschreven in het Levensboek. (https://anthrowiki.at/Ich-Bewusstsein).

Bij de kroon kunnen we in de eerste plaats dus denken aan het geschenk van de geest, het zelfbewustzijn, en vervolgens aan het besluit om dit zelfbewustzijn in dienst te stellen van de liefde, het leven en de mensheidsontwikkeling. 

De kroon, Plaat 50 in Die Bamberger Apocalypse, 1981, Verlag Urachhaus, Stuttgart.

De pilaar in de tempel van God

De brief aan Filadelfia eindigt met de belofte dat wie overwint tot een pilaar in de tempel van de Vader zal worden gemaakt. Wie overwint, tot een pilaar zal ik hem maken in de tempel van mijn God, en nimmer hoeft hij daaruit te gaan. En schrijven zal ik op hem de Naam van mijn God, en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt van mijn God, en mijn Naam, de nieuwe (Op. 3: 12-13). Dat de mens tot een pilaar wordt in de goddelijke tempel laat zien dat we tot priesters worden. Schult (p.80) wijst erop dat in de oudheid de zuil het symbool is voor de rechtop gaande koninklijk-priesterlijke mens zoals die ons uit het hemelse Jeruzalem tegemoet treedt. De namen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest staan op deze priesterlijke zuil als teken dat de priesterlijk-koninklijke mens zelf gaat deelnemen aan het drie-enige leven van God. Deze mens is een voorafspiegeling van het mede dragend en mede scheppend worden. Hierdoor zal de mens religie, kunst en wetenschap herscheppen in de zesde cultuurperiode.