Kees Zoeteman

Het symbool van de ijzeren staf

Wanneer we de tekstfragmenten van de Apocalypse, die zijn gelegen op de vierde straal, op een rij zetten valt onder meer het symbool van de ijzeren staf op.

Dit symbool wordt maar spaarzaam gebruikt, tweemaal op de vierde straal en één keer bij de eerste straal. Bij de vierde straal komt de ijzeren staf in het eerste en het zesde fragment ter sprake:

En wie overwint, en tot het einde zich bindt aan mijn werken, macht zal ik hem geven over de volkeren, en hij zal ze hoeden met ijzeren staf, zoals pottebakkersvaten in stukken geslagen worden, macht, zoals ik ze ook ontving van mijn Vader. (fragment 7)

En hij zal hen weiden met ijzeren staf en hij zal treden de wijnpers waaruit de wijn van de goddelijke zegenwil als toorn van de Allesbeheerser tevoorschijn stroomt. En hij heeft op zijn gewaad op zijn heupen de naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren. (fragment 52)

Uit tekstfragment 33, gelegen op het midden van de eerste straal, en in het centrum van de Apocalypse, weten we dat de ijzeren staf een attribuut is van de Mensenzoon dat hem vergezelt vanaf zijn geboorte uit de vrouw bekleed met de zon:

En zij baart een zoon, de knaap, die zal weiden alle volkeren met ijzeren staf. (Op. 12: 5)

Waarom wordt de ijzeren staf zo sterk geassocieerd met de Mensenzoon? De Mensenzoon staat toch voor de Christus en de Christus is toch het toonbeeld van de liefde, de broederliefde? Maar we moeten ons van de Christus niet een te simpel en te platgeslagen beeld vormen. De betekenis van de Christus wordt door ons gemakkelijk onderschat. Hij is de Genius van ons zelf! Hij is wie we gedacht zijn door God en waarnaar we op weg zijn om eens één mee te worden. Eén van de elementen die hiermee in verband staan is de ijzeren staf. De Mensenzoon draagt de ijzeren staf omdat de ijzeren staf het symbool is voor de Ik-heid, aldus Emil Bock (Apokalypse, 1982, Urachhaus, p.317). Als de mens een Ik-mens wordt, dan worden alle oude verbindingen en regels van bloedgebonden sociale gemeenschappen verbroken. We zijn niet meer primair een zoon of dochter van onze ouders en lid van onze familie of club. Wat ons ten diepste kenmerkt is onze individualiteit en het zoon-/dochterschap van de mensheid als geheel. Daaraan refereren de pottebakkersvaten, de oude sociale vormen, die ons ik niet langer gevangenhouden, maar door ons in stukken geslagen worden. De ijzeren staf van de Ik-mens wordt tot een herdersstaf waarmee de incarnerende Christus alle mensen leidt, tot welk land ze ook behoren, en waarmee hij de wonden heelt van vereenzaming, haat en chaos

Het ijzer van de staf

Verder valt op dat de staf niet van goud is, maar van ijzer! IJzer is verbonden met de planeet Mars en representeert de god van strijd, moed, initiatief. Ook vinden we ijzer in ons bloed, in het hemoglobine waardoor het bloed zuurstof uit de lucht kan opnemen en kooldioxide bij het uitademen kan afstaan. Als er te weinig ijzer in het bloed is, kan de mens weinig uitrichten. Door het ijzer in het bloed kunnen we de dingen op aarde zetten, onze wil realiseren. Ook op deze manier zien we het verband van ijzer met de Ik-kracht.

De vrouw bekleed met de zon en de hoer van Babylon

Emil Bock gaat nog uitgebreider in op bijzondere omstandigheden bij de strijd van de tegenmachten om het Ik van de mens. Zij pogen het vermogen om de ijzeren staf te hanteren, aan te tasten (p.309). Hij wijst erop dat de in de geestelijke wereld begonnen strijd, van Michael en zijn engelen met de draak, ertoe leidt dat de draak uit de hemel op aarde wordt gestoten en dat het nu aan de mens is om deze strijd voort te zetten. Deze strijd moet door elk mens steeds opnieuw gestreden worden. De strijd om het Ik vindt voortdurend plaats. Deze strijd culmineert tenslotte in de strijd van de ruiter op het witte paard en zijn volgelingen in witte gewaden met het beest en de valse profeet. Deze witte ruiter op het witte paard is de wedergekomen mens die als knaapje uit de vrouw bekleed met de zon is geboren. De vrouw bekleed met de zon is de hogere ziel van de mensheid, die verschijnt vóór de strijd van Michael met de draak, aldus Bock. In tegenstelling tot de hoer van Babylon, die verschijnt vóór de strijd die de witte ruiter voert. De hoer van Babylon is de lagere aardgebonden ziel van de mensheid. Zij baart geen zoon. Zij heeft geen toekomst in de mensheidsontwikkeling. De strijd in de hemel van Michaël met de draak is ter bescherming van de nieuwe kracht van het Ik in de mensheid en in de individuele mens. De witte ruiter en zijn legerschaar, die aan het einde van de vierde straal het beest verslaat, herhaalt deze strijd, maar nu in een eindstadium. Hier treffen we opnieuw de Mensenzoon, het hogere geestwezen van de mens, dat de grootste beproeving weet te doorstaan en dat het Christus-Ik in zijn Ik laat wonen.

Uit tekstfragment 33, over de vrouw bekleed met de Zon en de Maan onder haar voeten, spreekt ook een andere, meer kosmische, betekenis. In zijn voordracht van 16 september 1924 staat Rudolf Steiner hierbij uitgebreid stil. Hij benadrukt dat dit beeld in allerlei mysteriescholen op Aarde in het midden van de Atlantische tijd al werd beleefd. Het Ik werd eerst beleefd als verbonden met de lucht, de adem, het inademen van de Geest. Dat neemt in de Lemurische tijd vorm aan in de afzondering van de stam of het volk, bijvoorbeeld als de god Jahveh als Heilige Geest in het volk Israël wordt uitgestort. In de Atlantische tijd wordt dit verder geïndividualiseerd doordat het Ik als warmte in het bloed van de mens gaat werken, als de uitstorting van het van de Christus afkomstige buddhi in alle mensen gaat plaatsvinden (R. Steiner,  Das Mysterium von Golgatha, Die Reinigung des Blutes vom egoistischen Ich, Berlijn, 26 maart 1907; in: Bô Yin Râ, Das Mysterium von Golgatha, Kober Verlag, 1973).

Op ditzelfde proces wijst Steiner veel later, 1924, waar hij uiteenzet dat in het begin van de Atlantische tijd het zonnewezen wordt beleefd als de vrouw met de Zon bekleed en dan wordt in het midden van de Atlantische tijd uit dit zonnewezen een mannelijk aspect geboren, het Christuskind, dat de Ik-geboorte in de mens vertegenwoordigt en aan zijn afdaling naar de Aarde begint (GA 346, p.176, p.317). Door de positie van het Atlantische tijdperk in het grote spirituele evolutieverhaal kunnen we dit aanmerken als de centrale gebeurtenis van de menswording in de scheppingskringlopen.

De centrale gebeurtenis van het midden van het Atlantische tijdperk is daarmee het besluit van Christus om naar de Aarde af te dalen. En de centrale gebeurtenis van het Na-atlantische tijdperk is de aankomst op Aarde van dit Zonnewezen, wanneer de Christus indaalt in de mens Jezus van Nazareth bij de doop in de Jordaan.

Op de vierde straal wordt natuurlijk ook verhaald wat hiervan de gevolgen zijn voor de 144 000, die kiezen om op te stijgen naar de geestelijke wereld in plaats van vast te houden aan materiële rijkdom. Bij fragment 36 (Op. 14:3-4) worden de kenmerken van deze mensen nader omschreven. De nieuwe mensen leren als enigen een nieuw lied dat zij voor de troon zingen. Voor wie denkt dat dit een verdienste van deze nieuwe mensen is, moet toch verder lezen, want het vermogen om dat lied te leren zingen is ook het gevolg van het losgekocht zijn door Christus van de aardegebondenheid. Losgekocht zijn, wil zeggen dat de weg terug naar de geestelijke wereld door Christus voor de aardse mens weer is geopend. Dit wordt door Steiner uitgedrukt als het beschikbaar komen van het opstandingslichaam. (Zie voor meer uitleg de Blog ‘Hoe wit is ons ziele gewaad?’ van 26 juli 2021) Met deze groep nieuwe mensen en hun kenmerken wordt een nieuw oerbegin van de mensheid gemaakt.

De witte ruiter op het witte paard

Is de ijzeren staf een toevallig attribuut bij een machtige verschijning in de Apocalypse of hebben we hier van doen met een wezenlijk kenmerk van de Christus? In het laatste geval kunnen we door de ijzeren staf ook de witte ruiter herkennen als een nieuwe verschijningsvorm van Christus bij het einde van de tijd. 

Uit de twee tekstfragmenten op de vierde straal kunnen we zien dat de oorspronkelijke ijzeren staf een kwaliteit is van de Christus die de opdracht tot de brief aan Thyatira geeft, en die over deze kwaliteit al beschikte bij zijn besluit om van de Zonnesfeer naar de aarde af te dalen. Ook zal hij met deze kwaliteit de eindstrijd aanbinden met de tegenkrachten. Tegelijk blijkt uit de teksten op de vierde straal dat deze goddelijke kwaliteit ook geschonken zal worden aan de 144 000 die de ruiter op het witte paard volgen. Hiermee wordt geïllustreerd dat Christus steeds de mens voorgaat in het ontwikkelen van een nieuwe kwaliteit die voor de verdere evolutie naar het ‘mens-in-God-zijn’ nodig is.

In de blog over Kalki en de ruiter op het witte paard van 7 november 2020 is stilgestaan bij de manier waarop Christus, dan wel de hindoeïstische godheid Vishnoe, de evolutie steeds een stap verder brengt met een incarnatie van een volgend evolutiestadium, in het hindoeïsme aangeduid als avatar. De tiende avatar, Kalki, zou nog moeten komen en laat zich in menig opzicht vergelijken met de witte ruiter op het witte paard die aan het slot van de Apocalypse verschijnt. Een aanwijzing bij Rudolf Steiner die hierbij aansluit is zijn opmerking dat de twaalf discipelen bij het laatste avondmaal een verwijzing naar het Mysterie van de Geest vormen. Dit avondmaal is een stoffelijke representatie van een inwijding, die elk mens die de hogere geestelijke wereld betreedt, doormaakt.

Unter diesen zwölf Aposteln sind zwölf seiner eigenen Verkörperungen zu verstehen. Zwölf seiner eigenen Leben, durch die er selbst hindurchgegangen ist. Und diese zwölf Leben waren nichts anderes, als das, was er in sich trug als die Glieder seines Leibes. In okkulter Beziehung teilt man den Leib in zwölf Glieder, und dies soll auch nichts anderes sein, als die Wiedergabe von zwölf Inkarnationen, durch die der Mensch allmählich gereinigt wird. So ist der Mensch umgeben von den Gestalten, durch die er selbst hindurchgegangen ist. Sie umgeben ihn wie bei einem Mahle, er selbst, der Mensch, ist der Gastgeber. Das ist ein Bild, das vor eines jeden Seele tritt in dem Mysterium des Geistes. Derjenige, der den Abschluss macht, das ist der Menschensohn, das ist der Mensch, der durch die Reihe seiner Inkarnationen so gereinigt ist von der egoistischen Liebe, dass er sich nicht mehr als Sohn einer Familie, eines Stammes, eines Volkes fühlt, sondern als der Sohn der ganzen Menschheit! Unter den Zwölfen der Dreizehnte, der die höchste Vollkommenheit darstellt, derjenige, der Alle liebt; das ist der Eingeweihte, Er selber! (R. Steiner,  Das Mysterium von Golgatha, Die Reinigung des Blutes vom egoistischen Ich, Berlijn, 26 maart 1907; in: Bô Yin Râ, Das Mysterium von Golgatha, Kober Verlag, 1973)

In dit licht zouden we kunnen zeggen dat Christus, de Genius van de Mensenzoon, in zijn meest voltooide vorm verschijnt in deze witte ruiter op het witte paard.