Astrid van Zon en Kees Zoeteman

De basis voor de ordening van de 56 tekstfragmenten van de Apocalypse is het zevental dat als leidend beginsel in de Apocalypse kan worden gevonden. Toch kan daarmee niet worden volstaan. Immers, het getal zeven is het getal dat de processen in de tijd beschrijft, terwijl de Apocalypse ons na het doorlopen van een kringloop voor de troon van God voert waar de tijd is overgegaan in de eeuwigheid. Bovendien blijkt, als we de spiraal van fragmenten van buiten naar binnen doorlopen, dat we bij het begin van een nieuwe kringloop telkens kennis maken met een hoger bewustzijnsniveau. De achtste (of nulde) straal is daarmee niet alleen een overgangsstraal van de ene kringloop naar de andere, maar tegelijk een straal waarop een transformatie naar ander bewustzijn plaatsvindt.  

We zullen deze transformatiestappen of drempelovergangen, waarlangs volgens de Apocalypse de inwijding in de geestelijke wereld verloopt, nagaan. Daarbij begint onze zoektocht door ons te verdiepen in het boek van de Apocalypse en ons te realiseren dat we ons niet op de buitenwereld maar op onze binnenwereld zullen moeten richten. Zodra we het boek open slaan worden we al bij tekstfragment 3 hierop gewezen, nog voordat we een eerste kringloop afleggen. Dat we tot een hoger bewustzijn kunnen komen, blijkt als we na de eerste kringloop weer op de overgangsstraal zijn aangekomen en ons in fragment 11 een open deur wordt getoond en wordt toegeroepen om op te stijgen. In de hemel wordt ons de troon getoond, de plek waar we steeds opnieuw, na een cyclus doorlopen te hebben, terug worden gevoerd. Op de troon zit degene die een boek in zijn hand heeft dat is verzegeld. Alleen het Lam kan de zegels verbreken zodat het boek geopend kan worden. Bij fragment 20, als weer een cyclus is afgerond, wordt ons duidelijk dat om opnieuw voor de troon te kunnen verschijnen wij een wit kleed moeten dragen. En na de volgende ronde beschrijft fragment 32 dat Gods tempel in de hemel voor ons wordt geopend en de ark van zijn verbond zichtbaar wordt. Na de volgende ronde vermeldt fragment 40 dat nadat de tempel was open gedaan zeven engelen tevoorschijn komen met de laatste plagen. Bij de volgende drempelovergang van fragment 48 stort wat over is van de uiterlijke wereld in en Jeruzalem valt uiteen in drie delen. En Babylon krijgt de beker van Gods toorn te drinken. Bij het laatste fragment 56 keren we tenslotte terug in de uiterlijke wereld met instructies hoe met de profetie in ons dagelijkse leven om te gaan. We zullen deze stappen uitvoeriger beschrijven en vergelijken met de inwijding zoals die in de oude mysteriescholen plaats vond.

De omkering

Niet voor niets treffen we in fragment 3 de opdracht aan Johannes om zich om te keren. Hoewel het in zekere zin onlogisch is dat Johannes deze opdracht krijgt, omdat hij kennelijk al in staat is om innerlijke stemmen uit de geestelijke wereld te horen, moeten we ons realiseren dat deze woorden ook aan ons zijn gericht, en wij kunnen een dergelijke opdracht heel goed gebruiken. De omkeer is bedoeld om ons op het innerlijke pad te brengen, zodat wij innerlijk gaan zien en horen. Deze opdracht wil ons zeggen dat we om de innerlijke tempel te vinden wel op zoek naar die tempel moeten gaan en er niet aan voorbij moeten lopen. Ofwel, we moeten de spiraal inlopen om het nieuwe Jeruzalem in onszelf te kunnen vinden. En die eerste stap is nog niet heel dramatisch. We komen daarmee in de voorhof van de tempel en kunnen aan allerlei uiterlijke tekenen al een vermoeden krijgen van de geheimen die in de tempel, onze binnenwereld, kunnen worden onthuld. Johannes krijgt de opdracht brieven aan zeven gemeenten te sturen. Die zeven gemeenten staan als het ware om de buitenvoorhof van de tempel heen. We kunnen er nog vrijblijvend naar kijken. We kunnen die gemeenten waarnemen terwijl we om de tempel heen lopen en ons een mening vormen over wat zich in die zeven gemeenschappen afspeelt. Bij de oude inwijdingsscholen stond deze fase bekend als de voorwaarden waaraan de leerling moest voldoen om tot de inwijding te worden toegelaten. Degelijke voorwaarden behelzen het kennis nemen van de inzichten over de geestelijke wereld wat betreft de schepping van de aarde en de evolutie van de mens en over het ontwikkelen van de juiste houding om tot eigen waarnemingen in de geestelijke wereld te komen. 

Een deur is geopend in de hemel, stijg omhoog!

Maar als we dan een rondgang hebben gemaakt en de trap betreden tussen de twee pilaren, die de ingang van de Joodse tempel markeren, (zie ook Bastiaan Baan, 2023, Toekomst van de aarde, Christofoor, p.70) dan treedt een nieuwe fase in. Dan beleven we een drempelovergang (fragment 11). Dan wordt in de hemel een deur voor ons geopend en krijgen we de uitnodiging om op te stijgen. Daarmee komen we symbolisch in het voorportaal, gelegen binnen het gebouw van de tempel. En wat dan loskomt is overweldigend. Zoals we al in de voorhof bij het omkeren een blik mochten werpen op de Mensenzoon, waarmee de essentie van de Apocalypse onmiddellijk wordt onthuld, zo resulteert dit opstijgen erin dat we meteen een blik mogen werpen op de troon waarop God is gezeten. Het doet denken aan de lente waarin de kersenbloesem als eerste aan de kersenboom tevoorschijn komt terwijl het nog kan stormen en vriezen. Waarom niet langer gewacht met dit kostbare tere moment? Omdat het urgent is en aan de tijd is. Het belangrijkste gebeurt eerst. We verruilen de fysieke wereld voor de astrale wereld, waarin ons in beelden zal worden verteld over de menselijke ontwikkelingsgeschiedenis. We zien in imaginaties (het getoonde: Deiknumenon, zie Bastiaan Baan, Oude en nieuwe mysteriën, Christofoor, 2002, p.180) de loutering (katharsis) die de menselijke ziel moet doormaken om in bewustzijn te stijgen (fragment 12). De imaginaties volgen telkens op het verbreken van een zegel van het boek op de schoot van God. En in de zeven imaginaties zal ons door het geofferde Lam (Christus) worden getoond wat in de verschillende cultuurperioden zich aan innerlijke ontwikkeling van de menselijke ziel voordoet. 

Het Lam voor de troon zal hen leiden naar de bronnen van het levenswater

Als alle zegels van het boek zijn geopend, kondigt zich een volgende drempelovergang aan. Opeens krijgen we te horen dat er een stilte optreedt, wel een half uur lang (fragment 21). Was het daarvoor dan niet ook stil? Ja, maar deze stilte is anders. De stilte is er daarvoor permanent, we horen immers nog niet de inspiraties, dan wel de bazuinen; maar nu pas begint de stilte ons op te vallen, juist omdat onze oren open gaan. Deze stilte wordt bewust ervaren door de mensenzielen die uit de verdrukking zijn gekomen en voor het altaar staan in witte gewaden (fragment 20).  Deze stilte is de aankondiging van de klanken van de zeven bazuinen die we gaan horen. Het altaar is de plek waar de levenden en de doden elkaar ontmoeten. En het witte gewaad is het teken dat de mens zijn astrale lichaam heeft gelouterd. Deze gelouterde mens zal na de drempelovergang niet alleen innerlijk gaan zien maar ook innerlijk gaan horen. Deze mens gaat de zeven bazuinen horen die in de lagere mentale wereld (devachaan) blazen. In de oude mysteriescholen heette deze fase die van de Verlichting (Photismos), het waarnemen van het gesprokene (Legomenon), het horen van het heilige woord, de inspiratie. Het Lam leidt de zielen in witte gewaden naar de bronnen van het levenswater, dat is het levenwekkende scheppende woord.

Gods tempel in de hemel is geopend en de ark wordt zichtbaar

Weer een ronde later, als de bazuinen hebben geklonken, kunnen we een volgende drempel overschrijden. In de Joodse tempel is er opnieuw een trap die ons zal voeren naar het heilige der heiligen, het allerheiligste, vaak ook aangeduid met een gesloten gordijn waarachter de ark is opgesteld. Dit gordijn wordt bij deze drempelovergang van fragment 32 geopend zodat de ark zichtbaar wordt. Maar nog kan de leerling niet binnengaan. Er zullen eerst zeven grote gebeurtenissen in de geestelijke wereld aan de leerling worden getoond, die veel onthullen over de strijd die de mens op aarde in zijn ziel moet volbrengen.

Niemand kan in de tempel binnengaan totdat de zeven plagen zijn voltooid

Als opnieuw een rondgang is volbracht (fragment 40) krijgt de leerling te horen dat alleen wat volkomen gelouterd is de drempel naar het allerheiligste mag overschrijden. Daartoe treden uit het allerheiligste zeven engelen met toornschalen naar voren die wat nog onzuiver is zullen afstropen voordat de leerling verder kan gaan. De nabijheid van God wordt toch al kenbaar aan de rook van Gods heerlijkheidsglans en zijn grootmacht.

Kom, ik zal je tonen … de hoer en de bruid van het Lam

Pas als de zeven toornschalen zijn geleegd en de plagen die daaruit voortvloeien zijn voltooid (fragment 48) kan het allerheiligste worden betreden. Nu kan deze mens de goddelijke wezens zelf ontmoeten en zelf gaan handelen zoals overeenkomt met Gods wil (het gedane, de handeling: Dromenon). Na de imaginatie en de inspiratie gaat deze mens nu beschikken over de gave van de intuïtie. Dat is de uiteindelijke initiatie, de inwijding in het hogere devachaan, het binnenste van het Geestesland. In de laatste ronde van de Apocalypse wordt Johannes in de vorm van grote visioenen getoond wat de diepste krachten zijn die werken in de mensheidsevolutie. Het einddoel is het bruiloftsmaal van het Lam met de bruid (het geheel van mensenzielen in witte gewaden), maar ook wordt zichtbaar wat zal geschieden met de menselijke zielen die dit einddoel nog niet bereiken en het lot van de hoer van Babylon ondergaan. In fragment 55 is er nog een laatste vooruitblik op het verdere verloop van de evolutie in de vorm van het uit de hemel afdalende nieuwe Jeruzalem. Daarna voert de Apocalypse in fragment 56 ons terug naar het hier en nu.