Kees Zoeteman

De visioenen van de tekstfragmenten op de derde straal zijn meestal niet erg opwekkend. Zij getuigen van de werking van tegenkrachten die moeten worden overwonnen om het hemelse Jeruzalem te naderen. We ontmoeten de gemeente Pergamon, waar satans troon is (fragment 6), een zwart paard met een ruiter die een weegschaal hanteert bij de handel (fragment 15), een ster die op aarde valt waarna een derde van de zoete wateren bitter wordt en mensen die ervan drinken sterven (fragment 24). Nadat Satan door Michael uit de hemel op aarde is geworpen, worden de mensen geconfronteerd met twee beesten, een beest met 7 koppen en tien hoornen dat uit de zee het land opklimt en een beest met twee hoornen dat uit de afgrond in de aarde omhoog komt en waarbij het getal 666 hoort (fragment 35). Als de derde toornschaal wordt leeg gegoten worden alle waterbronnen en rivieren op aarde tot bloed dat de mensen moeten drinken (fragment 43). Maar bij het 51ste fragment is de mensheid gerijpt tot de bruid, de gereinigde menselijke ziel, die de tegenkrachten heeft overwonnen en met het Lam (het hoger zelf, het universele Ik) de (chymische) bruiloft viert.

Het verbindende element in de teksten op de derde straal is de menselijke ziel die eerst in de greep van Satan (Ahriman) dreigt te komen en daarna meer inzicht, balans en maathouden leert vinden. Gaandeweg wordt duidelijk welke impulsen in de menselijke ziel spelen en hoe de tegenkrachten van de beesten de mens proberen te ontkrachten, al voordat de persoonlijkheid zich goed en wel heeft ontwikkeld. Als de menselijke ziel zich weet te reinigen, volgt tenslotte het perspectief van het heilig huwelijk en het ontkiemen van het Manas.

Bij dit proces dat behoort bij de derde straal, komen een aantal samenhangende begrippen langs die hier nader zullen worden besproken.

De rivieren en waterbronnen

In de fragmenten 24 en 43 komen de zoete wateren op aarde ter sprake, de grondwaterbronnen en rivieren. Zij zijn dragers van het centrale thema van de derde straal, het menselijke astraallichaam, het geheel aan verlangens en begeerten, dat we met de dieren gemeenschappelijk hebben. Bij tekstfragment 24, waarin de derde bazuin geblazen wordt, wordt een derde van deze wateren bitter nadat de ster Alsem uit de hemel op aarde valt. Het blazen van de zeven bazuinen is gericht op het zuiveren van het voelen (het bloed) van de mens (Schult, p.141) voordat deze de zonnesfeer kan naderen. Het begeren moet sterven om als mensenziel verder te kunnen komen. Het bitterkruid, Artemisia absinthium, werd in de oudheid als dodenplant gezien en toegedacht aan het sterrenbeeld Schorpioen dat in het lichaam de seksualiteit beheerst. De plantensoort Artemisia is naar de Maangodin Artemis vernoemd en werkt op de warmte genererende processen in het lichaam. De plant kan zowel genezend als beschadigend werken. De aardeontwikkeling brengt de mens steeds meer in verbinding met het materiële, los van het geestelijke. Lijden en dood zijn hier uitdrukking van waarbij de mens tot bitterheid kan vervallen. Maar ook kan het Alsemproces de standvastigheid in de mens oproepen om al deze bitterheid te dragen.

Onder de zeven ‘planeten’ is de Maan het centrum van de astrale wereld, aldus Schult (p.147). Bock (p.145) legt bij de derde bazuin de werking van de bitterheid uit als het zelfgenoegzame burgerlijke egoïsme dat over de mens komt en waarbij de aanleg tot geestelijke grootsheid van de mens tegelijk verschrompelt. Het herhaald noemen van een derde bij de verschillende bazuinen duidt volgens Bock in dezelfde richting: bij het drietal lichaam-ziel-geest is het dit derde deel, de geest, dat met de ondergang wordt bedreigd.

Bloed

Het bloed is, samen met het zenuwstelsel, een veel gebruikt beeld voor wat aan begeerten in de menselijke ziel, het astrale lichaam, leeft en daarmee een dominant symbool van de derde straal. In fragment 43 worden de zoete wateren tot bloed. Waar het bloed naar buiten treedt is het niet langer een teken van leven maar van de dood en het verlies van de Ik-kracht.  

Als de bloedgebonden hartstocht van de ziel zich uitleeft, doodt dit elk hoger streven (Schult, p.268). In het driftleven is de kracht te vinden die het menselijke lot bepaalt en waar tegenover boetedoening kan worden gesteld. De tegenkrachten leven zich uit via het bloed en alleen door de balancerende werking van het hoger zelf, zoals dit naar voren treedt in de latere stralen, zullen de tegenkrachten overwonnen kunnen worden. Waar het driftleven wordt gereinigd kan het Ik zich bevrijden van astrale bindingen. In de gemeente Pergamon is dit Ik nog niet van binnenuit werkzaam in de mens en moet het balanceren van buitenaf worden bewerkstelligd met behulp van wetten en regels. Bij het Joodse volk is dit de rol van Jahweh, de Maangod. Tot de komst van Christus in Jezus van Nazareth kunnen de begeerten zich in de menselijke ziel ongeremd manifesteren. Dat maakt dat de tegenkrachten bij de derde straal en in het bijzonder in Pergamon duidelijk tevoorschijn komen.

Troon van Satan

De gemeente Pergamon is volgens Schult (p.47-49) een typische Venus gemeente. Mede door de enorme rijkdom van deze stad, die de kroonschat van Alexander de Grote had ontvangen, was er een sterke neiging tot decadentie en uiterlijk vertoon. Ook zijn er resten aanwezig van de tempelwereld, zoals die bestond in Babylonië en Egypte. De troon van Satan, waarnaar de brief aan Pergamon verwijst, wordt in verband gebracht met het reusachtige altaar van Zeus. Er staan verder meerdere tempels in Pergamon waar Romeinse keizers zichzelf als godheden lieten vereren en daarmee satanische praktijken demonstreerden. Ook het spreken in tongen, was hier nog populair, -de leer van Balaäm is hiermee verwant-, wat in de derde brief wordt veroordeeld. Het is een hindernis voor het met wakker bewustzijn geestelijk leren waarnemen.

Altaar van Zeus uit Pergamon, opgesteld in Pergamon Museum te Berlijn

De decadent geworden Venus cultus, die hier wordt beoefend, heeft zich ontwikkeld tot wat Schult typeert als zwart-magisch geworden seksuele riten en religiositeit. De beginnende christelijke gemeente moet hier scherp afstand van nemen. Hetzelfde gold voor decadente elementen vanuit Babylon, die via de Baälscultuur in Israël werden geïntroduceerd.

De demonische werkingen op de derde straal kunnen pas overwonnen worden als de mens tot zelfbewustzijn is gekomen en morele keuzes maakt. Dat is het kenmerk van de werking van de vierde straal. Ook moeten de demonen worden ontmaskerd. Dit laatste is de opgave van de vijfde straal, waar de duisternis van het demonische rijk zichtbaar wordt als de toornschaal over de troon van het beest is uitgegoten (fragment 45). Nog explicieter komen de demonen daarna op de zesde straal tevoorschijn na het uitgieten van de zesde toornschaal op de rivier de Eufraat (fragment 46) en de hele schepping zich klaarmaakt voor de eindstrijd te Harmageddon.  

Waar staat de troon van Satan voor?

Satan betekent in het Hebreeuws ‘tegenstander’, ‘tegenkracht’. In de Joodse theologie speelt Satan de rol van aanklager, zoals zijn rol is beschreven in Job 1: 7-11, waar hij mandaat krijgt om al de zegeningen die Job heeft ontvangen van hem weg te nemen en zijn geloof in God te beproeven. Het begrip ‘advocaat van de duivel’ is een verwijzing naar deze rol van Satan. Maar deze rol neemt een einde als Michael met Satan strijdt in de hemel en Satan op de Aarde werpt. Deze strijd, die in de Perzische cultuur zijn reflectie vond, wordt in de Joodse cultuur opgenomen tijdens de Babylonische ballingschap en gaat later een grote rol spelen in het Christendom. Rudolf Steiner ziet in Satan de tegenkracht die in de Perzische cultuur als Ahriman, god van de duisternis, bekend was. Onder meer Goethe noemt hem Mefistofeles. Hij is een achtergebleven Archai en werkt op de mens via diens intellectualiteit (GA 102, p.147 e.v.). De satanische machten werpen hindernissen op voor de mens die zich in geestelijke zin wil ontwikkelen (GA 266a, p.169).  De plaats waar de troon van Satan is, moeten we dus zien als een plek waar deze tegenstander van Christus bijzonder actief is. Satan wordt ook wel de wederrechtelijke vorst van deze wereld genoemd, omdat hij de rang van Archai heeft, en werkzaam is in de sfeer van de aartsengelen. Zijn rang is lager dan die van de rechtmatige vorst van deze wereld, omdat Satan in een eerdere ontwikkelingsfase als Archai is achtergebleven (GA 154, p.95). De rechtmatige vorst van deze wereld, Jahweh (GA102, p.147 e.v.), is  een Geest van de vorm (Eloha). Satan (Ahriman) is niet de enige tegenstander van Christus. We hebben ook te maken met Lucifer, een in de sfeer van de engelen actieve achtergebleven aartsengel, die bij de tweede straal al aan de orde kwam, en Sorat, een abnormale Geest van de vorm (GA 101, p.135).

Het is van groot belang om de tegenkrachten te leren herkennen. Als we ze niet buiten ons herkennen, zijn ze in ons, waarschuwt Rudolf Steiner (GA 154, p.97).

Wie vraagt naar de oorsprong van het boze, dat wil zeggen het goede op de verkeerde plaats en tijd, wordt van Lucifer en Ahriman teruggevoerd naar nog eerder in de mensheidsontwikkeling opgetreden wezens, de Asura’s en Sorat. In Sorat treffen we een afwijkende Geest van de vorm van vóór het begin van de mensheidsevolutie, die met de Oude Saturnus incarnatie van de aarde een aanvang nam. Sorat verzet zich tegen de missie van Christus en zijn scheppingsdoel van de mens en wordt daarom ook aangeduid als de anti-Christ. Zijn streven komt aan het begin van onze huidige Aarde incarnatie tot uiting in de Hyperboreische tijd door de verhardingskrachten op aarde te versterken wanneer Aarde en Zon van elkaar worden gescheiden. De Aarde komt dan niet vrij als een eigenstandige planeet maar blijft eerst verenigd met de Maan. Christus wil van de Aarde met haar mensheid een Zon maken. Sorat beoogt de Aarde te verharden tot een Maan (GA 101, p.135). De hogere hiërarchieën weten echter de normale ontwikkeling van het zonnestelsel toch te realiseren.

Na het Hyperboreische tijdperk komen er nieuwe aanvallen van de tegenkrachten op de beoogde geestelijke ontwikkeling van de mensheid.        

In het Lemurische tijdperk nestelt Lucifer zich in het astrale lichaam van de mens en plant daarin de zinnelijke begeerte maar ook de drang tot vrijheid.

In de Atlantische tijd komt daarbij de werking in het etherlichaam van de mens van Ahriman die vanuit de diepte werkt en de leugen wil laten postvatten dat alleen de materiële wereld bestaat waardoor de waarneming van de geestelijke wereld verduisterd raakt. Door de invloed van Lucifer is de mens eerder afgedaald in de stoffelijke wereld en kon in de Atlantische tijd Ahriman eerder zijn werking op de mens beginnen uit te oefenen.   

En in onze Na-atlantische tijd komt de mens steeds meer bloot te staan aan een derde tegenkracht die uitgaat van de Asura’s die werken in ons fysieke lichaam. Asura’s zijn achtergebleven Archai die de eerder genoemde Sorat dienen en een nog intensere vorm van het kwaad dan dat van ahrimanische en luciferische demonen onder de mensen brengen. Hierbij wordt het Ik van de mens aangevallen. Hebben de hogere hiërarchieën als remedie tegen de werkingen van Lucifer ziekte en lijden ingebracht en tegen de werkingen van Ahriman het over de dood werkende karma, zo’n vereffening is er bij de werkingen van de Asura’s niet.

De luciferische demonen werken in de gewaarwordingsziel van de mens, de ahrimanische in de verstands/gemoedsziel en de asurische in de bewustzijnsziel (GA107, p.248). Door het gebruik van drugs en zwartmagische praktijken willen de asurische demonen stukjes van het Ik van de mens losmaken zodat deze op aarde achtergelaten moeten worden en voor de mens zelf onherstelbaar verloren gaan. Door het volledig opgaan in de materiële wereld en het geheel vergeten van het geestelijke bestaan zal deze mens gaan leven als een veredeld dier en het vermogen verliezen morele verantwoordelijkheid te nemen (GA 107, p. 240 e.v.).  Al wordt in de Apocalypse dus van de troon van Satan gesproken, en worden daarmee primair de werkingen van Ahriman bedoeld, bovenstaande laat zien dat deze troon tevens de plek is waar de oerbron van het boze, Sorat en de hem dienende Asura’s, moet worden gezocht. Nu, tweeduizend jaar na het ontstaan van de Apocalypse, is de werking van de asurische demonen al minder theoretisch dan in de tijd van Johannes, maar de grootste kracht ervan zal nog komen. Dan zal de evenzo versterkte werking van de Christus in onze ziel hier een tegenwicht kunnen bieden.  Dat vraagt echter wel een bewuste keus van elk individueel mens om vanuit liefde en compassie te leven.

Satan en de twee beesten

Nadat de draak, het mengwezen Lucifer-Ahriman, door aartsengel Michael op Aarde is geworpen, waar deze maar een beperkte tijd heeft, komen twee dieren op Aarde omhoog. De ene rijst op uit de zee, de andere uit de diepten van de aarde.

Het beest dat oprijst uit de zee heeft zeven koppen en tien hoornen. De draak geeft aan dit beest zijn kracht. In dit beest zien we een beeld van Ahriman die de mens wil laten terugvallen in de eerdere ontwikkelingsfase zoals die werd bereikt aan het einde van het Atlantische tijdperk waarin de dierlijke instincten zich in zijn ziel uitleefden zonder nog door het Ik beheerst te worden (GA 346, p.114 e.v.). De zeven koppen van het beest zijn een reflectie van de zeven groepszielen van de Atlantische mens en de zeven planeten van ons zonnestelsel. Daarbij is, aldus Schult (p.212), met de kop die is verwond en weer geneest de Maan bedoeld.

Het beest met twee hoorns dat opkomt uit de afgrond van de aarde, wordt door Rudolf Steiner getypeerd als de grote tegenstander van Christus, de hiervoor genoemde zonnedemon Sorat. Sorat wil alles wat geestelijk van aard is verstoren, inclusief de hele mensheidsontwikkeling. Vanaf het moment dat de mens een Ik krijgt en zich moreel ontwikkelt, wordt Sorat in het verhinderen hiervan geïnteresseerd. (S. Prokofieff, 1998, Ontmoeting met het boze, De grondsteen van het goede, Perun Boeken)

Op de derde straal wordt op deze plaats onthuld hoe de drie vormen van het boze: het lucifersiche, ahrimanische en asurische, in de loop van de ontwikkeling als steeds heftiger werkingen van Sorat naar voren komen en een steeds groter gevolg voor de ontwikkelingsrichting van de mens krijgen.

Actuele vorm van de strijd aan de hemel

De hemelse strijd van Michael met de draak zal niet alleen plaatsvinden na het Bazuintijdperk, voorafspiegelingen daarvan treden ook eerder op. Zo heeft Rudolf Steiner erop gewezen dat een dergelijke strijd in de negentiende eeuw ook heeft plaatsgevonden nadat rond 1843 Ahriman vanuit de geestelijke wereld het materialisme op aarde een sterke impuls gaf die doorwerkte in de instincten van de mensen. Vervolgens heeft een hemelse strijd tussen Michael en ahrimanische geesten in 1879 plaatsgevonden waarbij deze ahrimanische wezens uit de hemel op aarde zijn neergeworpen. Het is, aldus Steiner (GA 178, p.204), onze opgave in de vijfde Na-atlantische cultuurperiode om het spirituele te begrijpen met ons verstand. Het uit de geestelijke wereld neerstromen van de spirituele wijsheid in de zielen van de mensen kan na 1879 niet meer door Ahriman verhinderd worden. Wel kunnen deze ahrimanische wezens verwarring stichten en daarmee de menselijke zielen verduisteren.

Bruiloft

Het laatste tekstfragment (51) van de derde straal mondt uit in de uitnodiging tot het bruiloftsmaal. Daaraan vooraf klinkt tot driemaal toe een ‘Halleluja’. De eerste groep wezens die het Hallelluja laten klinken, zijn de volgelingen van Lucifer die met de val van Babylon de neergang van hun vijand Ahriman vieren. Deze luciferische engelen zijn alsnog meegegaan met de hereniging van de Aarde met de Zon aan het slot van het Bazuintijdperk. Vervolgens klinkt het Halleluja van de 24 oudsten om de troon en de vier diergestalten. En tenslotte klinkt een stem uit de troon, mogelijk die van aartsengel Michael, die naast het Hallellujah aankondigt dat het moment van de bruiloft van het Lam, de zonnegeest Christus, met de bruid van de gereinigde mensheid is gekomen.

Hier komen we op het punt waar de rol van de tegenkrachten tot een einde gaat komen. De zonnegeest, het Lam, verenigd met zijn bruid, neemt het koningschap van de wereld op zich.

De apocalyptische bruiloft kent veel overeenkomsten met de alchemische bruiloft zoals te boek gesteld door Johann Valentin Andreae (De chemische bruiloft van Christian Rosencreutz, Uitgeverij Pentagon, 2016). Zie ook de blog Het hemelse Jeruzalem en de schat die Karel IV van Bohemen bouwde in Karlštejn van 13 augustus 2022.Deze bruiloft zelf is niet het hart van de derde straal. Maar het is wel het vergezicht waarmee de derde straal eindigt.