Kees Zoeteman

Dieter Hammer las op deze website over project-Apocalypse en stuurde me vervolgens een berichtje of ik ook het werk van Charles Kovacs kende. Die gang van zaken is precies zoals ik aanvankelijk had gehoopt: met elkaar onze inzichten over dit heilige boek delen. Ik kende Charles Kovacs en zijn werk niet, en kocht meteen het boek dat een commentaar omvat van Kovacs op de lezingencyclus Die Apokalypse des Johannes te Nürnberg die Rudolf Steiner in 1908 hield (GA 104).

Charles Kovacs werd in 1907 in Wenen geboren uit Joodse ouders en was al jong kunstzinnig actief en geïnteresseerd in de antroposofie. Hij werkte tijdens het Nazi regiem in Kenia, en later in Londen, Florence en Edinburgh, waar hij in 2001 overleed. Het in dit boek voor het eerst gepubliceerde manuscript behelst de inhoud van zijn voordrachten die hij op 77-jarige leeftijd hield voor Waldorfschool-leraren en euritmisten in Edinburgh rond 1983/1984. Na zijn overlijden dook het manuscript op en het is als boek bij Perseus Verlag te Bazel in 2010 uitgegeven. In het boek staan door hem geschilderde intrigerende portretten van onder andere Johannes de schrijver van de Apocalypse, Lucifer, Ahriman en Sorat, die op de titelpagina is afgebeeld.

Zijn 16 voordrachten bevatten de neerslag van zijn levensinzichten. Zij tonen een verrassende helderheid en diepgang die hij veelal baseert op Steiners voordrachten, maar die ook putten uit zijn eigen innerlijke ervaringen. Dat maakt het tot een heerlijke bron van inzicht, zoals onderstaand met enkele voorbeelden wordt toegelicht.

Het verschil tussen de Yoga- en de Rozenkruizerweg

In zijn eerste lezing gaat Kovacs in op de polariteit tussen denken en willen, die ook is terug te vinden in de polariteit tussen de oude inwijding en de nieuwe inwijding zoals die in de Apocalypse wordt aangeduid. Bij de oude inwijding in India, Egypte en Griekenland moest de leerling in een soort doodsslaap worden gebracht om vervolgens de geestelijke wereld in volle wakkerheid te kunnen beleven. De moderne mens beschikt al over die wakkerheid in het denken omdat het etherlichaam zich heeft teruggetrokken binnen de contouren van het hoofd. Tegenwoordig is het juist van belang om de doodskrachten in het denken te overwinnen en wilskracht in ons denken te brengen. Die doodskrachten proberen ons bijvoorbeeld bij het lezen van een tekst of het luisteren naar een lezing in te laten slapen. Met onze wil kunnen we echter wakker blijven. Deze tegenstelling tussen vroeger en nu komt ook tot uiting in de Yoga- en Rozenkruizerweg tot inwijding.

Bij de Yoga-weg brengt de leerling de energetische kundalini-slang omhoog door oefeningen, beginnend bij de vierbladige lotusbloem (chakra) bij het geslachtsorgaan, gaand naar hogere stadia, tot de tweebladige lotusbloem tussen de wenkbrauwen wordt bereikt. Dat Boeddha dit hoge stadium had bereikt, wordt op afbeeldingen aangeduid met een stip op zijn voorhoofd, aldus Kovacs. Voor dit proces is onthouding van seks en ascese een belangrijke voorwaarde.

Bij de Rozenkruizerweg wordt de omgekeerde volgorde gevolgd en wordt begonnen met de tweebladige lotusbloem. Seksuele onthouding is hierbij niet een voorwaarde maar de ascese heeft betrekking op het achterwege laten van bepaalde gedachten (zoals haatgedachten) en bepaalde gevoelens (zoals ijdelheid). De Yoga leerling begint met het afdoden van de geslachtelijke krachten en kan met deze krachten denken en macht uitoefenen over anderen. De Rozenkruiser leerling begint om wilskracht in het dode denken te brengen en bereikt zo een lichaamsvrij Ik-bewustzijn. Dat is pas mogelijk geworden na de incarnatie van Jezus Christus. Via de Yoga weg kreeg de leerling niet een lichaamsvrij Ik-bewustzijn, maar een Al-bewustzijn, een lichaamsvrij wereldbewustzijn. Het lichaamsvrij Ik-bewustzijn kreeg als eerste mens Lazarus-Johannes toen deze uit de dood werd opgewekt door Jezus Christus. Deze Lazarus-Johannes is dezelfde als de schrijver van de Apocalypse. Met deze nieuwe inwijding schildert Johannes de toekomstige mensheidsontwikkeling.

De eerste liefde

In de derde lezing legt Kovacs uit waarop de eerste liefde doelt waaraan Christus refereert als hij in de eerste brief aan Efeze zegt: Echter ik heb tegen je: dat je je eerste liefde hebt opgegeven! De eerste liefde heeft betrekking op de eerste menselijke incarnaties in de Lemurische tijd (zie ook GA 13) toen de aarde nog veel fijnstoffelijker was dan nu. Destijds was het etherlichaam van de mens zowel mannelijk als vrouwelijk. De mens kon daardoor uit zichzelf een fysiek lichaam uit de fijne aardse stoffelijkheid opbouwen.  Dat wat zich later omvormde tot de geslachtsorganen tussen man en vrouw, dat was toen nog één liefdesorgaan dat was gericht op de aarde, op de aardse substanties voor de bouw van een lichamelijke omhulling. De aarde was letterlijk de eerste liefde van de mens. En als de mens zich in de Indische cultuurperiode en in de gemeente Efeze afwendt van de aardse dingen, en alleen geestelijke zaken nastreeft, dan wordt hij zijn eerste liefde ontrouw.

De Heilige Geest en het witte gewaad

In onze Sardis cultuurperiode wordt onze ziel gescheiden van de groepsziel om op zichzelf te staan. Dat is een uitwerking van het Mars-principe dat deze cultuurperiode centraal staat, aldus Kovacs in zijn vijfde lezing. Onze tijd is erop gericht dat de individuele mens de juiste verhouding tot de gemeenschap vindt. Waardoor wordt een groep mensen een werkelijke gemeenschap? In vroegere tijden was een hoger wezen, de groepsziel, in alle leden van een groep aanwezig. De mensengroep was in zekere zin het stoffelijke lichaam van de groepsziel. Maar het mensen-Ik is een geestelijk wezen dat zich in vrijheid met het hogere geestelijke wezen van de gemeenschap moet gaan verbinden. Het oerbeeld van dit proces is het Pinksterfeest waarop de Heilige Geest over de mensen komt. Slechts door de Heilige Geest is het mogelijk om de volle Ik-kracht van de enkeling met de doelen en opgaven van de gemeenschap in overeenstemming te brengen. Dit is het openbare geheim van deze tijd, dat alleen de Heilige Geest in waarheid gemeenschapsvormend kan zijn, al het andere is ten dode opgeschreven, aldus Kovacs. Hoe kan je dan toegang tot deze Heilige Geest vinden? Dat is door het levendige denken! Dat zijn krachten die onze zielen open maken voor de ingevingen van de Heilige Geest. Dat wil zeggen dat Christus met ons is tot het einde van de tijd en ons antwoord geeft op onze zielevragen. Daarvoor moeten we wel met bepaalde geestelijke krachten uitgerust zijn om de spraak van Christus te leren. En op deze hoge geestelijke krachten doelt het witte gewaad dat hen wordt aangedaan die beschikken over deze krachten en die deze krachten in de dienst van de Heilige Geest aanwenden en die niet misbruiken. In onze cultuurperiode kan zich de bewustzijnsziel openen voor de loutere waarheid en de morele intuïtie, aldus Kovacs. Alleen het Ik in de mens kan de Heilige Geest ontvangen, de intuïtie ontvangen, waarbij de eenling en de gemeenschap een eenheid vormen. Dat is wat anders dan het communistische ideaal waarbij het Ik ondergeschikt wordt gemaakt aan de commune. 

Het thema van de zevenheid

De zevenheid, die veelvuldig voorkomt in de Apocalypse, kan makkelijk tot een abstract gegeven vervallen en daarom heeft Rudolf Steiner aanwijzingen gegeven om te komen tot een levendige benadering ervan. Kovaks gaat in zijn tiende voordracht hierop in. De abstracte getallen van tijdsprocessen zijn verbeeld in de bloemvormen en de bloemvormen zijn weer te zien als resulterend uit krachtstromen. De krachtstromen op hun beurt gehoorzamen onzichtbare werkzame principes die de richtingen aangeven. Als je die principes je probeert voor te stellen kom je tot een geste, een gebaar. Dit gebaar is in zekere zin het oerbeeld waarvan de plant de zichtbare afdruk is. Die geste is te vergelijken met wanneer wij om iets vragen, het drukt een verzoek uit. Met elke bloem wendt de aarde zich vragend tot de hemel, de kosmos. Het zonlicht is de vervulling van de aardevraag.

Vervolgens legt Kovaks uit dat het bij het zevental gaat om de stappen waarlangs we tot de geestelijk-zielsmatige werkelijkheid komen: 1. De fysieke vorm, 2. De krachtstromingen (het etherlichaam), 3. Het gebaar dat aan de stromingen ten grondslag ligt (het astraallichaam), 4. Het geestelijk-zielsmatige dat in het gebaar tot uitdrukking komt (het Ik). In deze vier stappen zien we een afspiegeling van de grote stadia in de wereldontwikkeling. De mens krijgt in het huidige stadium van de wereldontwikkeling, de vaste minerale aarde, de geestelijke realiteit van het Ik. Het Ik is het eeuwig vragende in ons. Zoals de bloem een vraag is om het hemellicht, zo is het Ik de eeuwige vraag in ons om het licht van de goddelijke genade. En de drie toekomstige stadia, waarmee de zeven vol wordt gemaakt, worden erdoor gekenmerkt dat het Ik het voortouw in ons overneemt. Wat de goden in de eerste drie stadia gegeven hebben, een -astraal-, ether- en fysiek lichaam-, wordt in de laatste drie stadia gespiegeld door het Ik. Uit de onderste vierhoek ontstaat de bovenste drieheid van Manas, Buddhi en Atman. Bij de bloem zien we dat in het antwoord van de kosmos op het vragende gebaar door het zenden van de zonnestralen, het vormen in de plant van de vrucht, en uit de vrucht van de zaden.  Het totale leven van de plant is samengetrokken in de zaden. Het uiterlijk zichtbare wordt onzichtbaar en verinnerlijkt tot zaden, die pas in het volgende jaar tot het zichtbare ontkiemen. In het midden van de zevenheid gaat de evolutie over in de involutie, de vergeestelijking. Op dat middelste punt waar de evolutie overgaat in de involutie, waar de ene wervel overgaat in de andere wervel, zoals bij de dubbele spiraal van het melkwegstelsel en het sterrenbeeld Kreeft, daar vindt de ‘schepping uit het niets’ plaats, dat is het moment waarop de goden nieuwe werelden bouwen. Met de dubbele spiraal zijn we van het kale getal zeven tot een beeld voortgeschreden dat het wezen van de zevenheid onthuld.

 Het melkwegstelsel

Men kan ook zeggen dat op de Oude Saturnus de vorm ontstond, op de Oude Zon het leven, en op de Oude Maan het bewustzijn. Vorm, leven en bewustzijn zijn de grondbeginselen van de wereldontwikkeling. Op de huidige minerale aarde zijn deze drie beginselen in evenwicht. Op de latere Jupiter-aarde staat het bewustzijn (de Heilige Geest) weer voorop, op de Venus-aarde het leven (de Zoon) en op de Vulcanus-aarde de vorm (de Vader).  De eerste stadia van de aarde ontwikkeling (Saturnus, Zon, Maan) zijn stadia van het verhullen van het oergoddelijke. De toekomstige stadia (Jupiter, Venus, Vulcanus) onthullen de godheid weer, in Manas de Geest, in Buddhi de Zoon en in Atman de Vader. In het midden, op de huidige Aarde, in de evenwichtstoestand van de drie, verwerft de mens zich de vrijheid. Dat is in zekere zin het innerlijke wezen van de zevenheid, het gaan van de verhulling van de goddelijke drieheid tot hun onthulling in de mens. De weg van verhulling tot openbaring, dat is het wezen van de zevenheid en daarmee van de tijd.

Het Lam, het beest met de twee hoornen, en de tweebladige lotusbloem  

Hoofdstuk 12 gaat in op het Lam en het beest met de twee hoornen, de macht die we kennen als de anti-Christ. De tweebladige lotusbloem, het voorhoofdchakra, is het eigenlijke orgaan van het Ik-bewustzijn. De intuïtie ‘Ik ben een ik’ wordt overgebracht door het voorhoofdchakra. Daaruit komt ook voort de uitdrukking in de occulte scholen dat dit bovenzintuiglijke orgaan ‘het Lam’ is. De intelligentie en het Ik-bewustzijn zijn twee kanten van dezelfde kracht. Naar buiten stralend werkt deze kracht als het licht van de intelligentie, naar binnen gekeerd wordt ze tot bewustzijn van het Ik. De hele esoterische scholing is erop gericht de chakra’s in beweging te brengen, want anders blijven ze in een rust toestand. Meditatie is erop gericht het voorhoofdchakra in beweging te brengen. En het beest dat uit de afgrond opstijgt is er alles aan gelegen om dit in beweging brengen van het voorhoofdchakra te verhinderen. Het gevolg is dan dat de tweebladige lotusbloem verstart en de twee bladen worden tot twee ‘hoorns’. Daarom heeft dit beest, dat vijandig staat tegenover het Lam, twee hoorns, aldus Kovacs. Overal waar mensen een bepaalde manier van denken wordt opgelegd die leidt tot onmenselijkheid, of het nu overheden zijn of massamedia of bendes, daar kondigt zich het komen van de anti-Christ aan, van Sorat.  Wat weten we van de anti-Christ?

Er zijn drie soorten boze wezens. Zij zijn wezens die op eerdere stadia van de aarde ontwikkeling zijn blijven staan. Achtergebleven op de Oude Maan zijn de legers van Lucifer, die zelf een veel hoger wezen is dan deze achtergebleven engelen. Dan zijn er wezens die eigenlijk de rang van aartsengel hebben maar op het stadium van de Oude Zon achtergebleven zijn. Zij zijn dienaren van Ahriman, die zelf echter ook tot een veel hogere orde behoort. En tenslotte zijn er de meest boosaardige wezens die al op de Oude Saturnus zijn achtergebleven en dus van het begin of aan niet hebben deelgenomen aan de aarde ontwikkeling. Zij zijn teruggebleven Archai, ook als Asura’s aangeduid, die worden geleid door de anti-Christ. Zij zeggen nee tegen het doel van de aarde ontwikkeling: het scheppen van een kosmos van liefde en vrijheid. De anti-Christ verzet zich tegen alles dat wil worden en nieuw opbloeit. Het eeuwig wordende, het eeuwig jonge, is het wezen van het Lam. De mens heeft als opdracht om met het ouder worden de krachten van het wordende te verhogen naar het geestelijk-zielsmatige gebied door de kracht van het Ik dat zich wendt naar Christus. Christus, de eeuwig wordende, kan alleen het boek op de schoot van de Vader, het boek van de kroniek van de menselijke evolutie, openen.  

Magie

In hoofdstuk 14 gaat Kovaks verder in op dit tweehoornige dier en de werking van magie. Magie is niets anders dan door de geest in de materie werken, aldus Kovacs. Het fysieke menselijke lichaam bevat de geheimen van de oermagie, de magie van de Vader god, de magie van de driedimensionale ruimte, de kubus. En dit geheim van de oermagie wil de anti-Christ zich toe eigenen door het lichaam te pijnigen en te amputeren. Daarom voert zwarte magie tot het afslachten van onschuldige mensen zoals bij Gilles Rais, de satanische tijdgenoot van de jonkvrouw van Orléans, zoals in de fantasieën van Markies de Sade, en alle fantasie overstijgende gruwelijkheden van Hitlers beulsknechten. Dit zijn voorbeelden van zielen die in een eerder leven deelgenomen hebben aan zwart magische praktijken in Mexico. Zij zetten zich in om de komst van de anti-Christ voor te bereiden.

In het zesde tijdperk, het Zegeltijdperk dat op ons Na-Atlantische tijdperk volgt, zal de mens zich verheffen tot de magie van de heilige graal. Maar in deze tijd zal ook Sorat werken in zijn pogen om mensen uit deze opstijgende beweging los te rukken. Sorat en zijn dienaren zijn verbonden met het getal zes. Dat houdt verband met de kwalitatieve betekenis van de ordening van het zevental.

Eén is de belofte. Twee is de beproeving. Drie is het begrijpen. Vier is de omkeer. Vijf is de inkeer. Zes is de beslissing. Zeven is de vervulling.

Bij het getal zes gaat het om de beslissing tussen Christus of de anti-Christ, Sorat. Dit is een beslissing die de mens in vrijheid moet nemen. Daarna is de weg open voor het zevende stadium van de vervulling. Het getal 666 duidt op de laatste grote beslissing die valt aan het einde van de Venus aarde. Maar dit getal werkt ook in kleinere ritmen en daarom is 3×666=1998 een tijdstip waaromheen de kracht van Sorat extra werkzaam is. Met de inspiratie van Michael, getoond in het zesde zegel, het magisch idealisme, kan de aanstormende boze magie worden weerstaan.  

De Zodiak van Dendera, Egypte, tentoongesteld in het Louvre te Parijs

Het nieuwe Jeruzalem en onze eeuwige naam

Na in het vijftiende hoofdstuk stil te staan bij de uitleg van Rudolf Seiner van het zevende zegel, bespreekt Charles Kovacs in zijn laatste lezing de betekenis van het nieuwe Jeruzalem, een stad zoals die op onze aarde niet kan bestaan. Hij situeert het nieuwe Jeruzalem niet in de Jupiter fase van de aardeontwikkeling maar in de verre toekomst van de Vulcanus aarde. In de slotfase van de mensheidsevolutie moet de mens zijn lichamelijkheid en daarmee zijn persoonlijkheid offeren. De aardse persoonlijkheid vergaat met het aardse lichaam. De geestelijke individualiteit echter is eeuwig en deze kan door het laatste offer van de persoonlijkheid het nieuwe Jeruzalem betreden. De geestelijke individualiteit, het hogere Ik, vindt zijn thuis in het hogere Devachan, de hogere verstandswereld, waarvan de wereld van de vaste sterren, die boven de planeetsferen ligt, een afdruk is.  Van dit hogere Devachan is de Dierenriem met zijn twaalf tekens een afdruk. Ieder Ik heeft een relatie met een bijzondere combinatie van de dierenriemtekens. De verschillende hogere Ikken onderscheiden zich door de verschillende combinaties van dierenriemtekens waartoe zij behoren. De 12 dierenriemtekens vormen een kosmisch alfabet. Zo heeft ieder mensen-Ik zijn eigen combinatie in de wereld van de vaste sterren en deze combinatie is zijn ‘eeuwige naam’. Onze eeuwige namen zijn in de sterren geschreven. Datzelfde geldt voor de groepszielen van de mineralen. Alleen verlaten zij nooit dit gebied, terwijl de mensen-Ikken wel naar lagere regionen moeten afdalen. Dit hogere Devachan wordt doordat deze regio het thuis is van de groepszielen van de mineralen vanouds de kristalhemel genoemd. Als de mens na de Jupiter- en de Venus aarde tenslotte aankomt bij de Vulcanus aarde zal hij wakker zijn op het niveau van het intuïtieve bewustzijn en het nieuwe Jeruzalem betreden, het hogere Devachan dat opgebouwd is uit de twaalfheid en waar het thuis van de mens is.   

Staat er nu zoveel nieuws in het boek van Kovacs? Misschien niet, maar alles is net iets verder opgehelderd. Daarom krijg je als lezer het gevoel dat wat eerst met vage contouren zichtbaar was nu opeens helder is neergezet.