Kees Zoeteman en Astrid van Zon

Met de eerste straal op de spiraal van 56 tekstfragmenten van de Apocalypse, komen we in contact met het begin van de mensheidsevolutie en de geestelijke impulsen die daarbij op de mens afkomen. De zeven stralen geven een overkoepelend inzicht in de grote ontwikkelingsstappen die de evolutie van mens en wereld doormaken in de vorm van het telkens doorlopen van een kringloop die uit zeven stappen bestaat. Na de zevende straal is er nog een achtste (of nulde) die we als een overgangsstraal kunnen benoemen waarbij de overgang naar een nieuwe kringloop plaatsvindt op een hoger bewustzijnsniveau. Daar zullen we aan het slot op terugkomen.

De eerste straal kunnen we typeren als de straal van de geboorte uit de geestelijke wereld in de fysieke wereld. In de fysieke wereld kan de mens zijn innerlijke ontwikkeling doormaken, waartoe hij met steeds grotere autonomie wordt uitgerust. Het fysieke lichaam, dat we aanvankelijk moeten zien als een soort automaat ?, wordt in zekere zin nog vanuit de omgeving of de groep aangestuurd, maar gaandeweg, zoals uitgebeeld op de vervolgstralen, krijgt de individuele mens zelf zeggenschap over zijn/haar leven. Op de tweede straal zien we de mens verschijnen met een fysiek én etherlichaam, een levend lichaam. Op de derde straal wordt hier het gevoelsleven, het astraallichaam, aan toegevoegd. Een kernmoment treffen we op de vierde straal, waar de mens een zelfbewustzijn krijgt, een Ik. Op de verdere stralen speelt dit Ik een grote rol bij het verwerven van hogere vormen van bewustzijn en het louteren van respectievelijk het astraallichaam, etherlichaam en fysieke lichaam. Op deze ontwikkelingsweg zijn er naast de lichtende perspectieven ook weerstanden, die kunnen maken dat de vrije mensenziel niet aankomt op het beoogde doel. Een eerste gevaar is dat de menselijke ziel niet in een fysiek lichaam wil incarneren en heimwee houdt naar de wereld van de geest. Een tweede gevaar is dat de mens geheel geabsorbeerd wordt door het materiële bestaan en vergeet dat er een geestelijke wereld is. En een derde gevaar tenslotte is dat de mens zichzelf kwijtraakt en zich overlevert aan krachten gericht op de destructie van de schepping.

Bij de eerste straal staat het uittreden uit de geestelijke wereld en het betreden van de stoffelijke werkelijkheid centraal. De geestelijke impulsen klinken op de eerste straal nog na in begrippen als ‘de eerste liefde’ en het ‘paradijs’ (fragment 4), het ‘witte paard’ en ‘de kroon’ (fragment 13), ‘de vrouw bekleed met de zon die het knaapje baart’ (fragment 33). De bedreigingen voor de hier nog naïeve mensenziel die makkelijk aan verleidingen ten prooi kan vallen, worden benoemd als ‘de werken van de Nicolaïten’ (fragment 4), ‘hagel en vuur met bloed vermengd’ en het ‘derde van de aarde dat verbrandt’ (fragment 22), de ‘rode draak’ die ‘een derde van de sterren met zijn staart op aarde werpt’, de vrouw die moet ‘vluchten in de woestijn’ (fragment 33), en de ‘zweren die over de mensen komen die het merkteken dragen van het beest dat opkomt uit de afgrond’ (fragment 41). In het centrum van de spiraal aangekomen lezen we over een eindstrijd tussen het Lam en inspiratoren van de  bouwers van de stad Babylon, die staat voor de gruwelen van de wereld (fragment 49). In vergelijking met de bruisende geestelijke wereld is de fysieke wereld een woestijn.

Lucifer

Op de eerste straal is het vooral de luciferische tegenkracht die we leren kennen, onder meer als de vuurrode draak en de hoer van Babylon.

De luciferische wezens zijn ontstaan tijdens de vorige aarde incarnatie, de Oude Maan, waar zij hun Ik-ontwikkeling doormaakten. Zij bleven echter achter bij degenen die nu als engelen werkzaam zijn. Toen de vorige aarde incarnatie ten einde liep, hadden zij hun ontwikkeling nog niet volbracht en moesten zij de Oude Maan verlaten en hun verdere ontwikkeling vervolgen op de Aarde planeet. Maar in hen blijft het heimwee naar een eigen planeet, een eigen thuis, dat niet op Aarde is maar volgens Steiner op de planeet Venus. Deze luciferische wezens hebben een sterke invloed op het denken van de mens. Het geschenk van Lucifer aan de mens is de vrijheid om de inspiraties van de engelen hiërarchieën al dan niet te volgen (GA 150, p.90).

De eerste liefde

De inspirator van de eerste brief heeft tegen sommigen van de gemeenschap te Efeze dat zij ‘de eerste liefde’ verlaten hebben. Rudolf Steiner brengt de eerste liefde in verband met de liefde om de akker van de aarde te bewerken en daarin het goddelijke zaad, de geestkracht die door de mens werkt, te planten. Emil Bock (p. 69) ziet in de eerste liefde de liefde voor de aarde waarmee de mensenziel voor zijn geboorte afdaalt naar zijn incarnatie. Het is de liefde waarmee ons leven begint. Sommigen in de gemeente te Efeze hebben deze liefde voor het bewerken van de aarde verlaten. Hier treffen we een luciferische verleiding om ons af te wenden van het bewerken van de aarde en ons over te geven aan de illusies van het egoïsme. Kovacs (p.32) gaat in zijn uitleg terug tot de mens in de Lemurische tijd als hij in zijn etherlichaam nog tweegeslachtelijk is. Wat later zich omvormt tot de geslachtsorganen van de twee geslachten, vindt dan nog plaats in één liefdesorgaan dat gericht was op de uiterlijke aarde waaruit hij zich een omhulling vormde. De aardesubstantie was letterlijk nog zijn ‘eerste liefde’. Met de eerste liefde wordt bedoeld de oerliefde voor de aarde waaruit de mens zijn lichaam vormde (Kovacs, p.147). Gemeenschappelijk in deze interpretaties is dat de oorspronkelijke impuls om te incarneren in een aarde lichaam kan verkeren in zijn tegendeel: een afkeer van de aardse omstandigheden en het verwaarlozen van de opdracht de materie met onze geestkracht te doordringen.

Levensboom en Gods paradijs

Dat verlangen in de begintijd om weg te blijven van de stoffelijke wereld kan ook gezien worden als een diep verlangen naar de toestand die aan het einde van de mensheidsontwikkeling zal ontstaan met de levensboom en het paradijs. Het kan ontaarden in een verlangen om de hele mensheidsevolutie over te slaan en meteen naar de eindsituatie te schieten zonder door het lijden en individualiseren heen te hoeven gaan. Kan de mens niet op een makkelijke manier terugkeren in de godenwereld? Hierin wordt de luciferische verleiding scherp zichtbaar. Het einddoel van het paradijs is een belofte die de gemeente te Efeze meekrijgt, als bemoediging om wel de weg door de materie te gaan.

Een andere luciferische verleiding kunnen we zien in de praktijken van de Nicolaïten, die losbandig omgaan met de morele regels die voor de gemeente te Efeze gelden. Zij vallen buiten de kern van christelijke gemeenschap te Efeze. De onschuld die de eigenlijke christelijke gemeenschap te Efeze kenmerkt, wordt zichtbaar als het eerste zegel wordt geopend en de ruiter op het witte paard verschijnt. In Efeze, representant van de Oude Indische cultuurperiode, is de intelligentie nog niet gekleurd door kille berekening en sjabloonmatig denken.   

Hagel en vuur met bloed vermengd

Als de eerste bazuin klinkt, vallen op aarde hagel en vuur met bloed vermengd. In dit stadium van de ontwikkelingen verdwijnen de tastbare levende wezens op aarde. Onder de levende wezens worden de uiterlijke lichamen van de planten (bomen en gras) en de dieren (bloed) verstaan. Door vuur wordt het vaste, verbeeld met hagelstenen, opgelost. Tijdens het Bazuin tijdperk resten tenslotte van de wezens op aarde alleen hun astrale vormen. Aan het einde van het Bazuintijdperk zullen de astrale Aarde en astrale Zon samengaan. De Apocalypse geeft aan dat aan het begin van het Bazuintijdperk de werking van de Zon al zal gaan leiden tot vuurverschijnselen op Aarde die het leven zoals wij dat nu kennen niet langer mogelijk maken. Dit wordt uitgedrukt met ‘een derde van de aarde verbrandde’ ofwel het etherlichaam van de Aarde lost op zodat alleen het astrale en geestelijke lichaam van onze planeet zullen overblijven.

Het vuur duidt er ook op dat de luciferische hartstocht het uitzicht op de geestelijke wereld wegneemt waardoor de levenwekkende regen tot hagel verijst.

De hemelse jonkvrouw en de hoer van Babylon

Op de eerste straal treffen we  de uitersten aan van wat door de mens als steden wordt gebouwd: het nieuwe Jeruzalem enerzijds en Babylon anderzijds. Maar niet alleen het beeld van deze twee steden wordt getoond, ook wordt melding gemaakt van de krachten die daarachter schuil gaan, al wordt daarover in de andere stralen veel meer onthuld. Tegenover de stralende ‘zwangere jonkvrouw’ die omkleed is met de Zon en de Maan onder haar voeten heeft en de sterren van de dierenriem als een diadeem om haar hoofd draagt, wordt geplaatst de ‘hoer van Babylon’, gekleed in purper en scharlaken, verguld met goud en edelsteen en paarlen, drinkend uit een beker vol gruwelen en zittend op een beest vol namen van godslastering (fragment 49). 

Het Lam, het knaapje dat uit de zwangere vrouw geboren wordt en dat zal weiden de volkeren met ijzeren staf (fragment 33), de latere Heer van de heren en Koning van de koningen (fragment 52), zal strijd voeren met het scharlaken rode beest dat opkomt uit de afgrond. We hebben hier te doen met een oer-tegenkracht die, door de poort die Lucifer en Ahriman bieden, toegang krijgt tot de mensen.  De strijd wordt hier aangekondigd en ook dat het Lam zal overwinnen. Maar het moment van de eindstrijd is bij de eerste straal nog niet aangebroken.

Jonkvrouw met Zon bekleed en hoer van Babylon, Tapijten van Angers, 14de eeuw

De woestijn en de beide vrouwen

In de fragmenten 33 en 49 komen we de woestijn tegen. Het is een teken dat het fysieke in zijn pure vorm bij deze straal voorop staat. Beide vrouwen die worden genoemd houden zich op in de woestijn. De jonkvrouw die het knaapje baarde, vluchtte in de woestijn voor de draak om daar Gods bescherming te krijgen en zich te ontwikkelen gedurende 1260 dagen, dat is 3 1/2 x 360 dagen ofwel 3 1/2 jaar, een inwijdingsperiode. Tegenover deze pure jonkvrouw, de gereinigde ziel van de mens, staat de andere vrouw, de hoer van Babylon, gekleed in purper en scharlaken eneen gouden beker in haar hand houdend vol van gruwelen, de bezoedelde ziel van de mens. De hoer van Babylon zit op een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen. Deze draak richtte zich eerder op om het kind dat de jonkvrouw ging baren te doden. In die opzet is de rode draak niet geslaagd, maar bij de vrouw die we als hoer van Babylon leren kennen, heeft hij wel haar ziel weten te verleiden en via haar heerst de draak over alle koningen van de aarde.

In de hemelse jonkvrouw die het knaapje baart en de hoer van Babylon zien we de twee wegen die de ziel van de mens kan gaan. Het is een keus die van begin af aan in de menselijke evolutie is gelegd en gaandeweg tot zijn ontknoping zal komen.