Kees Zoeteman

Het boek van Friedrich Benesch (1907-1991) over de Apocalypse, (Stuttgart: Urachhaus, 1981) was al bijna veertig jaar oud toen ik het in een tweedehandsboekenzaak in Zeist in handen kreeg. Het bijzondere ervan is dat het ingaat op een thema dat ik al langer wilde bestuderen: de edelstenen waaruit het Nieuwe Jeruzalem is opgebouwd.

Friedrich Benesch was als natuurkundige, theoloog en antroposoof als weinigen in staat om hier een dieper inzicht aan te reiken. Bovendien zijn er heel weinig mensen die zich aan dit bijzondere onderwerp hebben gewaagd. Hij was onder meer priester in de Christengemeenschap en leidde van 1957-1985 de priesteropleiding van de Christengemeenschap in Stuttgart.

Het boek is niet eenvoudig leesbaar en vraagt doorzettingsvermogen. In het Voorwoord geeft de schrijver als zijn doel om te pogen de wederzijdse ontmoeting van de mens met de aard van de mineralen zó mogelijk te maken dat daaruit het wezen van de mineralen en hun toekomst kan oplichten. Het boek bestaat uit vier delen:

1. Een schets van de Apocalypse,

2. Het geestelijke karakter van het mineralenrijk,

3. Hoe de innerlijke kwaliteiten van de mens en de mineralen samenwerken, en

4. De afzonderlijke minerale bouwstenen van het hemelse Jeruzalem.

De schets van de Apocalypse

Friedrich Benesch ziet in de Apocalypse het bovenzintuiglijke zichtbaar worden in vier grote stromen van openbaring en beweging, die gaan van ‘bron naar stroom, rivier, tot monding’. De eerste stroom gaat uit van het wezen van de Mensenzoon die de zeven zendbrieven stuurt aan de zeven engelen van de zeven gemeenten. Van het verzegelde boek ontspringen ten tweede de stromende inhouden van de zeven zegels die het Lam achtereenvolgens opent. Vanuit de zeven engelen voor het altaar stromen de inhouden van de zeven bazuinen tevoorschijn. En tenslotte worden door de zeven engelen die uit de tempel komen de zeven gouden schalen met Gods toorn leeggegoten. Een mens, een boek, een altaar en een tempel zijn de vier aanvangsbeelden van de vier zevenvoudige stromen. Deze vier stromen werkt hij verder uit, gaande van wat hij noemt de bronbeelden tot aan de mondingsbeelden.

De geestelijke wezens van het mineralenrijk

Benesch start zijn zoektocht naar de mineralen vanuit het uitgangspunt dat de uiterlijke kenmerken van een mineraal een wezen openbaren dat in het geheel niet stoffelijk van aard is. In het gewicht, de hardheid, de doorzichtigheid en chemische samenstelling van het mineraal tonen zich kwaliteiten die een wilskarakter hebben. In de kleur, geur en smaak toont het mineraal zijn gevoelsmatige natuur. En de geestelijke denkende aard toont zich in de karakteristieke kristalvorm, zoals de mathematisch-geometrische figuren.  Het kristal toont een tot rust gebracht leven, een volkomen zielskwaliteit of deugd, en in de vorm toont het een individueel zuiver geestelijk zijn. In vroegere aarde toestanden was het mineraal nog doortrokken van levenskrachten, zoals dit nu bij levende organismen het geval is. 

In de geesteswetenschap hebben alle natuurrijken een gemeenschappelijke oorsprong. Dat geldt ook voor de macrokosmos van het wereldal en de microkosmos van de mens. De overeenkomsten kunnen nu nog teruggevonden worden. De zon komt overeen met het menselijke hart en het ik dat zich in het hart ervaart. De aarde met de vier natuurrijken komt overeen met het menselijke hoofd en het bewustzijn dat zich daarin afspeelt. De planeten met hun typerende constellaties stemmen overeen met de organen van de mens. De vaste sterren, en de dierenriem in het bijzonder, stemmen overeen met de onderdelen van de totale gestalte van de mens.

Microcosmos Melothesia door Benjamin A. Vierling (https://bluelightlady.com/blog/2015/09/man-of-signs-with-astrological-correspondences/)

En het dierenrijk met zijn specialisaties draagt het menselijke zieleleven in zich, zoals het plantenrijk het gezamenlijke van de menselijke levenskrachten toont. Ook het mineralenrijk heeft zijn overeenkomsten met de mens, zoals de relatie tussen bepaalde metalen en menselijke organen. Metalen kennen ook relaties met bepaalde planeten vanuit hun geestelijke ontstaansgeschiedenis. Edelstenen zijn toe te delen aan dierenriemtekens en de maanden van het jaar, zij het dat bij de duiding daarvan meer complicaties optreden dan bij de metalen. Jaspis wordt toegerekend aan het sterrenbeeld Vissen, waarna volgens de gang van het lentepunt van de zon volgens het platonische jaar alle 12 edelstenen, zoals genoemd in de Apocalypse, zijn toe te delen.

De gemeenschappelijk grond voor edelstenen, de mens en de sterrenwereld ligt volgens Benesch in de Cherubijnen (Geesten van de Harmonie, uit de zogenaamde eerste engelenhiërarchie). Hun scheppingsimpulsen werden door lagere geestelijke wezens gedifferentieerd en verschenen als materiele kosmos. De twaalfheid die in de natuurrijken en in de mens kan worden teruggevonden is hierdoor veroorzaakt. Voorbeelden zijn de door Rudolf Steiner benoemde twaalf zintuigen van de mens. De mineralen zijn de laatste (laagste) scheppingen van deze scheppende wezens en de edelstenen zijn de meest zuivere afbeeldingen van deze scheppende wezens waarin zij fysiek belichaamd zijn. De twaalf hoge geestelijke wezens van de dierenriem verschijnen voor de bovenzintuiglijke waarneming als dierachtige imaginaties. In de Apocalypse is dat voor de vier belangrijksten hiervan (Stier, Leeuw, Adelaar en Waterman) ook terug te vinden (Op. 4:6-8). In de imaginatie van het toekomstige Nieuwe Jeruzalem zijn de twaalf dierenriemwezens terug te vinden in de twaalf edelstenen die als funderingsstenen worden gebruikt. Samen met de namen van de twaalf stammen van Israël en de namen van de twaalf apostelen openbaart zich hier de toekomst van het samenwerken van hoge wezens uit de engelenhiërarchieën, de minerale kosmos en de mensen.          

Verder verwijst in dit beeld van het hemelse Jeruzalem het water naar het etherische, het kristal naar het lichtwezen van de kosmos en het goud naar het zonnewezen. In de zintuiglijke waarneming van in het bijzonder de edelstenen ontmoet de mens de openbaringen van het zuivere ruisende wereldwillen van de Thronen (geesten van de wil), van de Cherubijnen (geesten van de harmonie) en Serafijnen (geesten van de liefde), alle drie behorend tot de eerste hiërarchie. Zij zijn de scheppende goden van het dierenriemgebied, die onze werkelijkheid oproepen. De mineralen tonen het einde (het laagste niveau) van hun werkzaamheid, en roepen ons op om ons te verheffen tot hen door de wil tot de zuivere deugden. 

Hoe de innerlijke kwaliteiten van de mens en de mineralen samenwerken

In dit derde deel trof mij hoe Benesch de toekomstbestendigheid van de minerale wereld bespreekt. Het mineraal is bij uitstek een verschijning van de zelfloosheid. Zelfloosheid is niet het afwezig zijn van een Ik. Een Ik-loos wezen is niet zelfloos want het bepaalt zijn zelfloosheid niet zelf. Benesch ziet in zelfloosheid het hoogste menselijke ideaal, waarin het Christuswezen hem voorgaat. In de stroom aller stromen -het water-, in het kristal aller kristallen -het bergkristal of de diamant-, in het metaal aller metalen -het goud-, in de deugd aller deugden – de twaalf edelstenen- overal is zelfloosheid openbaar. Deze zelfloosheid maakt dat het mineralenrijk toekomstbestendig is en naar de hemelse stad, het Nieuwe Jeruzalem, in omgevormde gestalte overgebracht kan worden. Tenslotte zal ook het stoffelijk minerale van ons menselijke lichaam door onze zelfloosheid worden omgevormd. Door deze zelfloosheid kan de hoogste godheid verschijnen in beelden ontleend aan het mineralenrijk.

Bijzonder interessant is Benesch’ visie op de relatie van het mineralenrijk met de krachten van het boze of de zogenaamde ondernatuur. Dit zijn krachten die zich uiten in elektriciteit, magnetisme en kernstraling en die zich stellen tegenover de bovennatuur, die zich kenmerkt door leven, ziel en geest, waaronder de planeetgeesten en de wezens van de sterren. Het mineraal heeft zich als wezen toevertrouwd aan de krachten van de ondernatuur. De ondernatuur is echter niet het wezen van het mineraal maar een wetmatigheid van omstandigheden en mogelijkheden waardoor het mineraal zijn bovennatuur in het gebied van de lichamelijkheid kan meenemen. Wat het mineraal kwalitatief in verschijning brengt is zelfloos aangewezen op de hulp van de ondernatuur. Het mineraal is zo zelfloos dat het zich aan de omstandigheden van het boze kan toevertrouwen zonder daarbij zelf tot het boze te gaan behoren. Het is het beeld van het leven in het gebied van de dood, het beeld van de geest in het gebied van de tegenmachten. De tegenmachten worden door het zelfloze wezen van de mineralen tot zelfloosheid gedwongen. Als de mens echter zo in de minerale wereld ingrijpt dat zijn lichamelijkheid uiteenspat en zijn kwalitatieve karakter verdwijnt, en de mens alleen zijn ondernatuurlijke vorm benut, dan kan het boze uit de stof opstijgen en leven, ziel en geest van natuur en mens tegenwerken en verwarren. Dan pas wordt de macht van het boze werkzaam. De macht van het boze probeert zichzelf in de plaats van de natuur te stellen en de mens aan de zelf teweeggebrachte schijnnatuur of deelnatuur te ketenen. Zo verhindert de mens het mineraal om zijn bestemming te vervullen: de kiem vormen van een nieuwe kosmos. Dan ontstaat het beeld van Babylon, waar uit de minerale wereld met hulp van mensen het ondernatuurlijke deel eruit gerukt is en daaraan ook de zielsmatige en geestelijke krachten zich gebonden. 

De andere weg voert van de natuur naar de toekomst van de bovennatuur. De bovennatuur bedient zich van de ondernatuur om het levende, zielsmatige en geestelijke in een lichamelijk bestaan te openbaren. De toekomst hangt af van de keus van de mens om de deugden, verbeeld in het minerale rijk, als leidraad te nemen.

De afzonderlijke minerale bouwstenen van het hemelse Jeruzalem

Het vierde deel is het omvangrijkste. Het voert te ver hier alle afzonderlijke mineralen gedetailleerd te bespreken. Benesch gaat in op het water, het kristal, de beleving van het mineraal in relatie tot de naam, de twaalf edelstenen, het goud, de paarlen en tenslotte het hout. Enkele van deze elementen zullen ter illustratie kort worden toegelicht.

Bij de namen van de in de Apocalypse aangeduide edelstenen moeten we in de eerste plaats niet denken aan de verschijningsvorm van een edelsteen, heeft Benesch ontdekt. Soms werden uiterlijk verschillende edelstenen met eenzelfde naam aangeduid. Een voorbeeld is jaspis dat in verschillende betekenissen wordt gebruikt. Destijds werd de naam van een edelsteen niet alleen voor het voorwerp gebruikt, maar ook voor de zielsmatige beleving die de mens had bij de aanblik van het voorwerp. Daarom kon de oude naam gerelateerd zijn aan meerdere, mineralogisch verschillende, edelstenen. Zo worden met ‘jaspis’ verschillende ervaringen aangeduid. Enerzijds is er het ‘jaspis beleven’ in de vorm van lichtende hardheid en helderheid zoals ten toon gespreid door de diamant, maar ook de ervaring van bevestiging, reiniging, rust brengen van de steen die we tegenwoordig jaspis noemen. En de differentiatie van die jaspis ervaring strekt zich verder uit tot aan heliotroop. In de Apocalypse is jaspis primair vertegenwoordiger van het wezen van de Vader-god als bron van licht, leven en liefde. Maar tevens is de jaspis beleving de diepste eenheid van de drievoudige godheid, die omvat alle kracht van de Vader, alle deugd van de Zoon, alle scheppingskracht van het worden, en de lichtkracht van het Bewustzijn. Om de term ‘jaspis’ in de Apocalypse juist te vertalen kan vaak diamant worden gebruikt. De mineralen hangen met de hoogste goddelijke werkingen samen, terwijl ze tot de diepste regionen zijn afgedaald en daar jonkvrouwelijk edel zijn gebleven. Daardoor bevatten ze een kiemkracht die ze in staat stelt weer tot het hoogste op te stijgen. Dit mysterie van afdaling en opstijging is de ware inhoud van de jaspis ervaring.

Onderstaand zal de zielsmatige deugd die Benesch verbindt aan de twaalf edelstenen die de fundamenten van de muur om het Hemelse Jeruzalem vormen, kort worden beschreven.

Jaspis (hier ziet Benesch de verschijning als heliotroop als meest passend): heliotroop is helder tot donkergroen en betekent strevend naar de zon; verwant met alomvattende grootmoedigheid om in het schijnbaar zinloze toch het zinvolle te willen zien; werkzaamheid van Christus.

Saffier: betekent zuiveren, ordenen, harmoniseren; de doorzichtige vormen zijn vaak rood (robijn), en blauw tot violet; als de mens in het willen het denkende, gevoelsmatige en wilskrachtige in het diepst van zijn gemoed in evenwicht brengt, licht in zijn hart het robijnrood op; de deugden van discretie en zwijgzaamheid tonen zich in het saffierblauw.  

Chalcédon: de naam verwijst naar een stad aan de Bosporus; het hemelsblauw van edele vormen van chalcédon is zielsmatig heel anders van aard dan het diepe donkerblauw van saffier; het hemelsblauw staat voor de moed van het ik dat de angst van een twijfelend weinig geïncarneerd ik kan overwinnen.

Smaragd: de naam is verwant aan bliksem, opflikkeren; in het zuivere groen flitst de zuivere gedachtenkracht op die de mens in staat stelt zijn gedachten en de woorden die hij spreekt te beheersen; daaruit ontstaat de innerlijke waarheid voor de mens zelf en voor de geestelijke wereld.  

Sardonyx: de naam is een samenstelling van sarder en onyx; in de oudheid hield men sardonyx voor driekleurig: rode sarder begeleid door zwarte onyx en daartussen het witte of lichtgrijze chalcédon; sardonyx is verwant met het beeld in de Apocalypse van de adelaar ofwel de innerlijke verheffing van de schorpioen tot het geestaspect van de adelaar.

Carneool of Sarder: Sarder verwijst naar het Perzische woord Serd dat geelrood betekent; staat voor innerlijke tevredenheid met wie men zelf is, innerlijke balans en ware gelatenheid; innerlijke vrijheid.

Chrysoliet: betekent gouden steen; verwant met het ontstaan van het oog; staat voor hoffelijkheid, zonder begeren zelfloos in de wereld kijken.

Beril: afgeleid van de Indische naam Verulijam wat steen betekent; bewerkt de overgang van zelfbewustzijn naar meebewustzijn van de geest en ziel van andere wezens; ontvonkt meegevoel en echt medelijden.

Topaas: vernoemd naar eiland Topazos (vermoedelijk zelfde als St.John’s Island) in de Rode Zee; zuivere topaas is kleurloos tot lichtgeel en doorschijnend; het geestelijk kunnen horen; loutering tot zelfloosheid.

Chrysopraas: wat zoiets betekent als goudkleurig preigewas; de kleur is meer lichtgroen dan geel; staat voor de kracht van het doorzettingsvermogen en standvastigheid om tot rijping van het hogere wezen te komen.

Hyacint: vernoemd naar de hyacint plant die zijn naam weer dankt aan de zoon Hyakinthos van koning Amyklas van Amyklai; de zoon, geliefd door Apollo, werd door een ongelukkige discusworp gedood waarna uit zijn bloed de hyacint plant opbloeide; de Spartanen vierden elk jaar het feest van Hyakinthos, het feest van liefde van een god voor een mens; geelrode steen die staat voor innerlijk evenwicht tussen willen en denken en daarmee voor de bron van innerlijke vrijheid.

Amethist: betekent de roes kunnen weerstaan; violet van kleur door menging van rood en blauw die zich beiden terughouden; verbonden met de deugden van eerbied, devotie en bescheidenheid.

Benesch eindigt deze edelsteenbeschrijvingen met de oproep de edelstenen niet als voorwerpen te beschouwen maar te leren ze met hun innerlijke ziels- en geestelijke leven te zien en zo tot het beleven te komen wat de eenheid is in hun twaalfheid. De uit de edelstenen oplichtende twaalf Cherubijnen als geesten van de harmonie zijn één in de voor hen hogere hiërarchie van de Serafijnen, de geesten van de liefde. Daar deelt Johannes met ons zijn hoogste ‘Jaspis ervaring’ van de alles omvattende en doordringende goddelijke liefde.

Een zeer verdienstelijk boek van Friederich Benesch voor wie het hemelse Jeruzalem wil doorgronden en de moeite neemt zich in de soms erg specialistische beschrijvingen te verdiepen.