In de tweede helft van 2018 verscheen het kleine boekje van Judith von Halle over Die Apokalypse des Johannes, Bindeglied zwischen judischer Mystik und christlich-anthroposophischer Geisteswisschenschaft. Het betreft twee voordrachten die zij op 18 en 25 Oktober 2003 in Berlijn heeft gegeven en die nu zijn uitgegeven bij Verlag fur Anthroposophie te Dornach, Zwitserland  (ISBN 978-3-03769-056-7). Het boekje is, ondanks de slechts ca. 75 pagina’s tekst, rijk aan informatie en blijkt speciaal te zijn uitgegeven voor deelnemers aan latere seminars van Judith von Halle over de Apocalypse in 2014 en 2016 die ruim 30 voordrachten omvatten. De lezer heeft dus nog het een en ander te goed als dit hopelijk eens ook in boekvorm gaat verschijnen.

In de eerste voordracht gaat zij in op de oud-Joodse context van de door Johannnes geschreven Apocalypse, die de lezer moet begrijpen om enigszins toegang tot dit boek te kunnen krijgen. De geestelijke inwijding verliep bij de voor-christelijke mysteriën anders dan na de komst van Christus. Voor de komst van Christus moest de leerling zich gedurende een op de dood lijkende inwijdingsslaap van drie-en-een-halve dag geheel overgeven aan de leiding van zijn leraar. Tegenwoordig ervaart de mens de christelijke inwijding bewust. De eerste inwijdingen door Christus vinden we bij Lazarus-Johannes en Paulus. Von Halle beschrijft, zoals ze ook deed in eerdere boeken als Vom Mysterium des Lazarus und der drei Johannes (2009), meer over de geestelijke achtergrond van de schrijver van de Apocalypse, waarin zij de jonge apostel Johannes, Lazarus en de eerder overleden Johannes de Doper ziet samensmelten tot de jongeling die Jezus liefhad. De Apocalypse is een toekomstoorkonde, die na tweeduizend jaar nog aktueel is en ook nu nog op de toekomst wijst. Het is een open gelegd inwijdingsboek. Von Halle wijst erop dat het schrijven en openbaar maken van de Apocalypse in die tijd als verraad van de mysteriewijsheid werd gezien waarop de doodstraf stond. Net zoals Jezus moest worden gekruisigd omdat hij Lazarus ten overstaan van het volk uit de inwijdingsslaap, de dood van vier dagen, had opgewekt. In het esoterisch jodendom neemt de mens als bloeddrager van zijn voorvaderen een centrale rol in, zoals ook tot uiting komt in de rol van priester die uit het geslacht Cohen afkomstig moet zijn. In het christendom staat niet meer de rol van bloeddrager van zijn voorvaderen centraal maar de rol van individuele liefdesdrager, en wel als drager van de broederliefde die geheel zelfloos is. Dat wordt gesymboliseerd door het witte kleed dat bij het openen van het vijfde zegel te voorschijn komt en dat ons in deze tijd aanspreekt omdat wij nu de aanleg hiertoe kunnen realiseren.

In de tweede voordracht gaat zij verder in op de opdracht om het Ik, het zelfbewustzijn, te doordringen met spiritualiteit. Dat vraagt het aanspreken van onze wilskracht. Johannes gebruikt veel begrippen die ontleend zijn aan de oud-hebreeuwse mysteriën, die in het ultra-orthodoxe jodendom tot op de dag van vandaag bewaard zijn gebleven. Von Halle gaat in op de zeven gemeenten en de zeven zegels, die zij vooral aan de hand van Rudolf Steiners aanwijzingen uitlegt, om vervolgens stil te staan bij het Lam dat in het jodendom bij het Pesach feest een belangrijke plaats inneemt, evenals de symbolen van het boek en het witte kleed. Het symbool van het boek is verbonden met het Joodse feest van Jom Kippur. Na nieuwjaarsdag, Rosch ha Schana, is er een bezinnigsperiode van tien dagen waarop oude zonden en schulden vereffend kunnen worden door berouw te tonen. De ontzegeling van de daden vindt dan op Jom Kippur plaats waarop alle zonden tegen God bij berouw vergeven worden en waarbij de rabbijn en kantor een wit kleed dragen als teken van de schoonwassing. Het bloed van het Lam heeft voor het Joodse volk een bijzondere betekenis omdat het tijdens de ballingschap in Egypte boven de deurpost gestreken werd, waarna de doodsengel aan hun huis voorbij ging. Daarmee werd dit het teken van de uittocht uit Egypte van het joodse volk en het teken het uitverkoren volk van God te zijn. Ook de Joodse tempel vervult een centrale rol in de Apocalypse. Verder is de gebruikte getallensymboliek dezelfde als in de oud-hebreeuwse riten en symbolen, waarbij Von Halle in het bijzonder op het getal 144 000 ingaat. Zij eindigt met de belofte van het nieuwe Jeruzalem.

Samenvattend wordt in beide voordrachten een aantal belangrijke elementen voor het begrip van de Apocalypse aangereikt. Uiteraard moest het fragmentarisch blijven. Zoals ze zelf zegt: ‘Ein Leben ist ohnehin nicht ausreichend dafur, alle Geheimnisse der Erdenentwicklung, die in der Apokalyse beruhrt sind, zu begreifen’ (p.11).