Astrid van Zon

Portret van Novalis

Het is uitgestorven in Oberwiederstedt (Sachsen-Anhalt, BRD) en heel warm als we aankomen bij het slot waar Novalis, een Duitse dichter uit de Vroegromantiek van eind 18de eeuw, opgroeide.  In 1987 werd het slot van de lijst van culturele monumenten in de DDR gehaald en was het gedoemd om afgebroken te worden omdat het teveel een symbool was van de oude ‘Herrenklasse’ en te sterk verbonden met het (esoterisch) christendom (Motief 221). De sloop was al begonnen toen het slot alsnog gered werd door een burgerinitiatief, juist omdat Novalis hier opgroeide. Nu is het gebouw een museum en herbergt het de internationale Novalis Gesellschaft en de Novalis Stiftung. 

Het Novalis Museum in Oberwiederstedt

Wat bezielt een mens om in deze hitte naar zo’n afgelegen plek te reizen?

Al langer was Novalis een onderwerp van interesse van me, vanwege zijn poëzie waarin het zien en ontmoeten van het geestelijke in de ander en in de natuur een thema is. Die interesse  verdiepte zich toen bleek dat er volgens aanwijzingen van Rudolf Steiner een connectie is tussen Novalis en de Apocalypse. Novalis wordt door Steiner als voorloper en voorbeeld  gezien voor een tijd waarin de mens door de liefde van Christus in zich op te nemen, zijn ego omvormt en nieuwe zin en doelstellingen aan het leven kan geven. Steiner duidt daarmee op de tijd van de broederliefde, de zesde na-Atlantische cultuurperiode. Zoals al eerder in de blog over Broederliefde (30 maart 2022) werd opgemerkt, is er weinig in de Apocalypse expliciet over de broederliefde geschreven. Wie op onderzoek gaat bij Novalis kan misschien dichter bij de binnenkant van de broederliefde komen.  ‘Novalis kan ons tot voorbeeld zijn hoe wij waarachtigheid in het hart en ware liefde beoefenen en met enthousiasme de juiste toewijding vinden voor de geestelijke openbaringen die wij nastreven’, aldus Rudolf Steiner (GA 143, Novalis als Verkünder des spirituell zu erfassenden Christusimpulses, p.233). Novalis is een voorbeeld hoe met de oproep in de Apocalypse tot het ‘veranderen van je neigingen’ (Openb. 3:3) kan worden omgegaan. Laten we kijken wie Novalis was en wat in samenhang met de Apocalypse zijn betekenis kan zijn voor onze tijd.

Wie is Novalis?

Het leven van Novalis, pseudoniem voor Friedrich von Hardenberg, is maar kort. Hij wordt in 1772 in een adellijke Duitse familie geboren en sterft in 1801 aan tuberculose, bijna 29 jaar oud. Op 2 mei 2022 is zijn 250ste geboortedag herdacht. In zijn vroege kinderjaren is hij een kwetsbaar en teer kind. Dat verandert als hij 9 jaar is na het doormaken van een zware ziekte. Hij is daarna levenslustig en leergierig en bezoekt het gymnasium. In Jena volgt hij colleges van Schiller en bestudeert hij Fichte. Hij studeert rechten en mijnbouwkunde. Tijdens zijn studie ontmoet hij Friedrich Schlegel waarmee hij een belangrijke vriendschap krijgt. In een brief aan zijn broer August beschrijft Schlegel de ontmoeting met Novalis:

Das Schicksal hat einen jungen Mann in meine Hand gegeben, aus den alles werden kann. – Er gefiel mir sehr wohl, und ich kam ihm entgegen, da er mir denn bald das Heiligtum seines Herzens weit öffnete. Darin habe ich nun meinen Sitz aufgeschlagen und forsche. – Ein noch sehr junger Mensch – von schlanker, guter bildung, sehr feinem Gesicht mit schwarzem Augen, von herrliche Ausdruck, wenn er mit Feuer von etwas Schönem redet – unbeschreiblich viel Feuer – er redet dreimal schneller wie wir andere – die schnellste Fassungskraft und Empfänglichkeit (Heinz Ritter-Schaumburg, Novalis und seine Braut, p. 17).

Hij heeft een fascinatie voor de natuurwetenschappelijke ontdekkingen van zijn tijd en heeft ontmoetingen met de oudere Goethe. Met Fichte, Schiller en Goethe is hij vertegenwoordiger van de Duitse Romantiek, waarbij gevoel en intuïtie en de ‘Sehnsucht’ om buiten de grenzen van het zintuiglijke te treden een grote plek innemen. Als schrijver kiest hij dan ook het pseudoniem Novalis wat ‘een nieuwe wereld’ betekent. Hij dicht vanaf zijn vroege jeugd. Naast zijn innerlijke, op het geestelijke gerichte streven, zoekt hij een verankering in het praktische leven zodat er een evenwicht is. Novalis doet de romantiek eer aan door zijn verbinding met de ‘nachtmens’.[1]

Omkering

Getekend portret van Sophie von Kühn

Als hij in 1794 als 22-jarige jurist op dienstreis is, ontmoet hij de 12-jarige Sophie von Kühn en vat meteen een diepe liefde voor haar op. Er vindt snel, in eerste instantie in het geheim, een verloving plaats met het voornemen om haar te huwen als zij daarvoor de leeftijd heeft bereikt. Sophie is de zingeving in zijn leven en transformeert zijn leven. ‘Een kwartier heeft mijn leven bepaald’, schrijft hij in een brief aan zijn broer Erasmus, die hem zeer nabij is en hij benadrukt ‘de integriteit van het mooie onschuldige meisje’(Gerhard Schulz, Novalis, p. 10) en hoe hem dit onverwacht vervult. De toverkracht die van haar wezen uitging, moet groot zijn geweest. Overigens is dit in eerst instantie tot onbegrip van zijn broer, die niet begrijpt wat hij in dit onnozele meisje ziet. De liefde die hij voor haar voelt, benoemt hij als religie, hoger van aard dan een gewone liefde (Sergej O. Prokofieff, Novalis en Goethe in de geestesgeschiedenis van het Avondland, een esoterische beschouwing, p.10). Hij ziet in haar iets veel groters door haar uiterlijke verschijning heen. Grüningen, waar Sophie woont, wordt tot ‘Tempel wo wir knien.’ Zijn leven begint pas echt door de ontmoeting met Sophie en zo eindigt het als zij in 1797 vroeg sterft na een zware ziekte en twee operaties. ‘Sie war der Anfang, sie wird das Ende meines Lebens sein’, schrijft hij in Todesklage. Hij blijft geestelijk met haar verbonden en door haar met een andere wereld, de wereld van de nacht. Hij wil haar ‘achterna sterven’. In deze wereld wordt voor hem een geestelijke dimensie ervaarbaar. De schok van de dood van Sophie brengt in hem een innerlijke drempelervaring teweeg. Hij wordt hierdoor ‘wakker’.

Door de hem als genade geschonken inwijding, zoals Steiner het beschrijft, beleeft hij de werking van Christus door zijn komst op aarde en het mysterie van Golgotha, de verbinding van Christus met de gehele aarde en mensheid. ‘Der Christus ist dasselbe was alle Wesen als ein Kraft durchdringt’ , aldus Rudolf Steiner (GA108, 22-12-1908). Novalis schouwt vanuit een kosmisch perspectief aan de andere kant van de drempel de evolutie van de mensheid en haar voltooiing in het nieuwe Jeruzalem. Door zijn inwijding en drempelovergang kan Novalis niet alleen de aardeontwikkeling vanuit het verleden waarnemen maar ook de ontwikkeling van de aarde naar de toekomst doorschouwen. Het is de bovenzinnelijke stroom van de tijd die de eeuwigheid in zich draagt en aspecten van onsterfelijkheid en ongeborenheid samenvoegt (zie ook de blog Tijd zal er niet meer zijn, van 8 januari 2022). In de nacht zijn wij allen met deze stroom van de tijd onbewust verbonden.

Novalis zet zich met al zijn energie in om de inwijding die hij heeft ondergaan te verbinden met zijn dagelijkse leven en aardse persoonlijkheid. Om anderen hier in vrijheid deelgenoot van te maken verwerkt hij zijn ervaringen met de nacht kunstzinnig in zijn gedichten en een niet voltooide roman. Hij beschrijft daarin de betekenis van de liefde voor de algemene broederlijkheid, het dagelijks leven als cultus en het bewust omgaan met de kennis van de geestelijke wereld. Dit zijn de drie eigenschappen waaraan de engelen in de nacht werken in het astraallichaam van de mens, zoals Steiner aangeeft in de voordracht ‘Was tut der engel in unserem Astralleib? (GA 182, 9-10-1918). Deze drie eigenschappen zullen de belangrijkste eigenschappen van de mensheid zijn in de zesde cultuurperiode. Steiner noemt op grond hiervan Novalis een voorloper van de Filadelfia cultuur. Door zijn inwijding wil Novalis het pad gaan waardoor hij de ervaringen in de nacht bewust kan opnemen in de dag, ofwel ‘het tevoorschijn toveren van de nacht in de dag’, zoals Steiner het noemt (GA 243, 21-8-1924).

Incarnatiereeks

Dat Novalis een bijzondere persoonlijkheid is, blijkt ook uit de reeks van aardelevens die Steiner in verschillende voordrachten over Novalis noemt:

Elias – Lazarus Johannes – Johannes de Doper – Rafaël – Novalis  (Rudolf Steiner, Das Weihnachtsmysterium: Novalis, der Seher und Christuskünder: vier Vorträge in Berlin 1908/1909; Köln 1912; 1995, Rudolf Steiner Verlag)

Hij beschrijft hoe deze grote geesten voortleven in Novalis en inspirerend werken in het verlangen bij Novalis naar een nieuw spiritueel leven voor de mensheid. We kunnen de moed en de kracht ervaren die ons uit dit nieuwe geestesleven tegemoet komt. Steiner benadrukt dat Novalis geboren is als  voorloper van de nieuwe tijd om de christus-impuls geestelijk te kunnen begrijpen. Steiner is bijna jubelend als hij beschrijft hoe Novalis met zijn hart kan liefhebben en eerbied uit kan stralen. Door hem heen spreken de opnieuw geboren Elias, de opnieuw geboren Johannes de Doper en de opnieuw geboren Rafaël. Door de waarachtige toewijding kunnen zijn liefde en enthousiasme, die in zijn woorden doorklinken, zowel de meest eenvoudige harten als de hoogst ontwikkelde harten verlichten en verwarmen. Zoals de diepe werking van de Christus-impuls zich bij Rafaël in vorm en kleur uitdrukt, zo drukt Novalis die uit in woorden. Dichterlijke woorden die materie tot geestelijke lichtglans brengen en een baken voor ieder zijn. Voorbeelden hiervan zijn: Hymne en Wenn ich ihn nur habe (uit Gesitliche Lieder)

Geheimzinnig is hoe Steiner later (Dornach, 24 september 1924), in zijn laatste voordracht vanwege een voortschrijdende ziekte,de incarnatiereeks op een nieuwe wijze bespreekt:

Elias – Lazarus Johannes – Rafaël – Novalis.

Zoals we al tegengekomen zijn in de blog over ‘Wie is de Johannes die de Apocalypse schreef? (23 oktober 2021) wordt Lazarus Johannes gezien als degene die de Apocalypse schreef. Het is de mens Lazarus die een inwijding doormaakt en die tijdens zijn inwijding zich met de hogere wezensdelen van de gestorven Johannes de Doper verbindt. Het is het geheim tussen Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.

In deze visie zou de Johannes die de Apocalypse schreef ook verbonden zijn met de geest die in Novalis werkt.

Leven met de nacht

Ondanks zijn korte leven liet Novalis een rijk oeuvre na dat gedichten, aforismen, dagboeken, brieven en een onvoltooide roman omvat.

In het gedicht Hymnen aan de nacht, dat uit zes delen bestaat, beschrijft Novalis zijn ervaringen aan het graf van Sophie. Het ‘nasterven’ en haar volgen in de dood is een innerlijk proces dat hem in een geestelijke werkelijkheid voert. De wereld van de nacht, waarin wij meestal onbewust zijn, opent zich voor een hoger bewustzijn.  Door deze wereld binnen te treden ervaart hij de gestorvene als ‘een ínnerlijke zon’. Een wijds kosmisch perspectief ontvouwt zich waarbij hij de ontwikkeling van de mensheid voor zich ziet met als centrale gestalte Christus als overwinnaar van de dood. De dood is niet meer het einde dat afschrikt, maar is het begin van een omvattend bestaan. Het wordt in de vijfde hymne beschreven. Zo komt Novalis door het beleven van de gestorven Sophie tot het schouwen van de eeuwigheid en de ervaring van Christus in die werkelijkheid.

Voor Novalis wordt het een levensopgave om het licht van de dag te integreren met het duister van de nacht, naar het voorbeeld van Christus. Christus die op aarde komt om de dood te overwinnen. Christus wordt een zinnebeeld voor de mensheid die kan ontwaken in een nieuw geïntegreerd bewustzijn. Door de werking van Christus worden aarde en hemel, licht en donker met elkaar verbonden. Dit bewustzijn is door innerlijke ontwikkeling voor ieder mens mogelijk die het liefdevolle voorbeeld van Christus volgt. Novalis kan daarin een voorbeeld zijn. Het is een universeel bewustzijn en biedt de mens de mogelijkheid om door Christus opnieuw één te worden met God. Hymnen aan de nacht beschrijft het mensenwezen en de betekenis die het Christuswezen voor deze ontwikkeling heeft. Een ontwikkeling die leidt tot een nieuwe verbinding met de ander en de aarde waardoor er een nieuwe mensengemeenschap kan ontstaan.

Het sprookje van Eros en Fabel

Het sprookje van Eros en Fabel wordt verteld door de dichter Klingsor in het negende hoofdstuk van Novalis’ niet voltooide roman Heinrich von Öfterdingen. Het sprookje wordt tussen Pasen en Pinksteren geschreven kort na de dood van Sophie en in de periode waarin Novalis zijn bovenzinnelijke ervaringen heeft. Het sprookje gaat over het ontwaken van de ‘alles vernieuwende liefde’, het ontwaken van Eros. Diverse schrijvers (Friedrich Hiebel, Florian Roder, Emil Bock) die het leven van Novalis onderzocht hebben, benoemen de apocalyptische beelden in het sprookje waarbij de transformatie van de fysieke aarde naar een nieuwe aarde centraal staat. Johannes W. Rohen (2010, Die Apokalypse des Novalis : Das Märchen von Eros und Fabel, Freies Geistesleben) is de eerste die het thema van de Apocalypse bij Novalis dieper uitwerkt. Het volstaat hier om een aantal beelden uit de rijkdom van beelden in het sprookje  te noemen die doen denken of overeenkomstig zijn aan beelden uit de Apocalypse: de glazen zee, de edelstenen, het kwaad in de vorm van tarantula’s, het zwaard (van ijzer), de troon, de zon die verdwijnt, het altaar, de schaal met heilig water, enz.  Ook in het sprookje  vindt een nieuwe ontwikkelingsstap van aarde en mensheid plaats waarnaar de Apocalypse als het nieuwe Jeruzalem verwijst.

Novalis en de Apocalypse

Het is wonderlijk dat we zo weinig weten over Sophie von Kühn die bij Novalis iets in gang zet dat zo wezenlijk is. Al tijdens haar leven herkent hij haar wezen door haar uiterlijke verschijning heen. Een eerste ontwaken van broederliefde, waarvan sprake zal zijn in de zesde Na-atlantische cultuurperiode, ontwaakt in hem door de liefde die hij voor haar voelt. ‘Für die Menschen zu leben und Gutes zu tun, wo ich kann – diese himmlische Rolle bleibt mir immer gewiss’, zo schrijft hij in een brief aan zijn broer als Sophie al ziek is, maar hij het zelf nog niet weet. Als zij zo jong sterft, komt hij door de ervaring van de diepe pijn van het  verlies van Sophie  tot zijn inwijding en vereniging met Christus. Op 29 juni 1997 schrijft hij in zijn dagboek ‘Christus und Sophie’, waarbij we slechts kunnen vermoeden wat hij daarmee bedoelt. Twee jaren later schrijft hij echter uitvoeriger in de eerste Geistliche Lieder hoe door zijn pijn en angst zijn innerlijk wordt geopend als hij Sophie aan de zijde van Christus beleeft. Sophie als hemelbruid blijft hij trouw ook als hij zich inmiddels verloofd heeft met Julie von Carpentier, zijn aardebruid. Hij zet zijn leven voort vanuit de liefde voor Sophie en Christus zonder dat dit in zijn natuurwetenschappelijk denken tot uitdrukking komt. Maar in zijn gedichten en fragmenten daarentegen wordt vaker verwezen naar Christus. In ‘Teplitzer Fragment 12’ verschijnt de verbazingwekkende zin: ‘Das Herz ist der Schlüssel der Welt und des Lebens ………. So ist Christus … der Schlüssel der Welt’. Zo is het voorstelbaar om met deze zin ook de verbinding met de Apocalypse te leggen waar in de zesde  brief aan Filadelfia gesproken wordt over de sleutel van David: ‘Zo spreekt de heilige, de waarachtige, die de sleutel van David heeft; die opent en niemand kan sluiten, die sluit en niemand kan openen: Ik weet je werken! Zie ik heb een deur voor je geopend, die niemand kan sluiten’ (Openb. 3: 7-9).

Zoals Johannes zijn Openbaringen schrijft en ons de  grote beelden over de ontwikkeling en opgave van de mensheid voorstelt, zo komt Novalis door zijn inwijding tot het schrijven over de nachtwereld en de mogelijkheid om de nacht werkzaam te laten zijn in de dag. In die nachtwereld ervaart hij de twee stromen van de tijd, de ontwikkeling vanuit het verleden en de ontwikkeling vanuit de toekomst, waarin het mysterie van Golgotha centraal staat. In dat bewustzijn probeert hij de nachtwereld in het dagelijkse te leven. In het sprookje beschrijft hij de ontwikkeling van Eros die door de aardse liefde en het lijden dat daarbij hoort tot de alles vernieuwende liefde komt. De wijsheid in verbinding met liefde, die tot vrijheid leidt. In het sprookje kunnen we via de beeldenrijkdom innerlijk meebeleven wat de individuele mens kan doen om deze weg te gaan. De weg die de ontwikkeling van de vrijheid en de liefde op aarde voert naar haar bestemming. In poëzie en proza van Novalis klinkt zijn verlangen naar het geestelijke en een nieuwe mensheid; door de dichterlijke gave kan hij dat verlangen ook in ons wekken en dichterbij brengen. Zo kunnen we met eerbied meebeleven hoe Novalis voorloper is van een tijd waar de broederliefde leidend is, een liefde die ook in onze tijd soms oplicht.

De Lindenallee en de grote beuk

Twee mei 2022 was het de 250ste geboortedag van Novalis. Samen met de hierboven beschreven inhoud was dat een uitnodiging om naar het museum in Oberwiederstedt af te reizen met de vraag of het Novalis en zijn verhaal meer nabij zou kunnen brengen. Even stap je de levensstroom van Novalis binnen en raak je buiten de tijd. Zijn geboortehuis en de omgeving als fysieke plek waar hij heeft rondgelopen en de vele portretten van zijn ouders, broers en zussen en verdere generaties in welke stroom hij tot leven kwam, spreken tot de verbeelding. Twee voorwerpen ontroerden mij. Het kleine medaillon met het portret van Sophie dat hij bij zich droeg en het kruis van haar gevlochten haren. Twee voorwerpen die hem in verbinding met Sophie nabij zijn geweest. Wonderlijk is dat er in het museum zeer weinig over zijn poëzie terug is te vinden. Terwijl juist daarin zijn verbinding met Christus tot uitdrukking komt.    

Medaillon van Sophie von Kühn en een uit haar haar gevlochten kruis

Tegenover het slot is een klein park met nieuwe linden die met elkaar een Lindenallee vormen waar doorheen gewandeld kan worden. Net zoals toen. Een grote oude beuk staat er nog en biedt bescherming tegen de zon. Zo  kun je goed verwijlen op het bankje dat er onder staat. Is het toeval dat de beuk, de boom van de wijsheid en de linde, de boom van de liefde, samen zijn? In ieder geval biedt het een goede mogelijkheid over het leven van Novalis en zijn bijzondere betekenis nog wat te kunnen mijmeren. De stilte en rust raken de binnenwereld en roepen nieuwe vragen op. Zijn geschreven werk vraagt een dieper onderzoek. Als het koeler is.


[1] Bernard Lievegoed (1983) beschrijft in het vierde hoofdstuk van Mens op de Drempel, de dagmens en de nachtmens als de natuurlijke mens en de innerlijke mens. Ieder mens heeft deze twee in zich. We zouden ze ook kunnen benoemen als het wat en het wie van de identiteit. De tweede mens kunnen we zien als een eigen identiteit, die we het zelf, het ik of de individualiteit kunnen noemen, aldus Lievegoed (p.62).