Veel gestelde vragen

Is de Johannes Apocalypse enig in zijn soort?

De Apocalypse die Johannes’ inwijding beschrijft en model staat voor de inwijdingsweg van de westerse mens is beslist niet enig in zijn soort. Arthur Schult (p. 10) merkt hierover op, verwijzend naar Ernst Lohmeyer (1953), dat de Apocalypse van de hand van Johannes alle kenmerken toont van de apocalyptische geschriften die uit het Jodendom zijn voortgekomen en die bijvoorbeeld te vinden zijn in het oude testament van de bijbel bij Jesaja, Ezechiël, en Daniël, en in de vondsten van de Dode Zee rollen.

Het boek verhaalt over een geestelijk kosmisch mensbeeld dat in de klassieke culturen nog gemeengoed was, maar in de tijd van het begin van onze jaartelling aan het vervagen was en voor ons, zonder een innerlijke ontwikkelingsweg te gaan, nog minder toegankelijk is geworden. Vergelijkbare elementen komen we ook tegen in de Joodse ‘Kabbala’, wat overlevering of traditie betekent,  waarvan de wortels terug gaan tot dezelfde tijd als die waarin de Apocalypse ontstond. Aan de basis van de Kabbala stonden drie Talmudisten, de rabbijnen Nechunjah ben Hakana (leefde omstreeks 75 na Chr.), Ismael ben Elisa (omstreeks 130 na Chr.) en vooral Simeon ben Jochai (omstreeks 150 na Chr.). Simeon ben Jochai wordt beschouwd als grondlegger van een van de belangrijkste kabbalistische boeken, de Zohar (Müller, 1982). De Kabbala zal de lezer van de Apocalypse daarom kunnen helpen om tot meer begrip te komen. Verder laten Clifford, Hultgard en Martínez in het door McGinn, Collins en Stein geredigeerde boek Apocalypticism (2003) zien dat de apocalyptische elementen ook zijn te vinden in andere culturen in het Midden-Oosten, zoals in Egypte en Perzië.

Waarom 56 tekstfragmenten in een spiraalvorm?

In de bijbel is een indeling in 56 tekstfragmenten van de Apocalypse niet te vinden. Het boek is opgedeeld in 22 hoofdstukken, waarmee het verwijst naar de 22 letters en getallen van het Hebreeuwse  en oud-Egyptische alfabet. Ook vinden we dit aantal terug in de 22 inwijdingsbeelden die in vroeger tijden in de tempel te Memphis en de grote hal van de piramide van Cheops aan de adepten werden getoond, aldus Arthur Schult (p. 365). Ook worden deze 22 beelden aangeduid in de grote arcana van de Tarot, die uit de Egyptische inwijdingsgebruiken is voortgekomen.

De afwijkende indeling in 56 fragmenten is ingegeven door de wens om steeds de structuur die het getal 7 aangeeft te volgen. Zo vormen de zeven zendbrieven, de zeven zegels, de zeven bazuinen en de zeven toornschalen het vaste skelet van deze indeling. Zij ontsluiten vervolgens de achtste stap die wordt gevormd door de fragmenten waarbij Johannes verschijnt voor Gods troon en mag kijken naar wat in hogere bewustzijnsniveaus zich afspeelt. Zo worden de 7 + 1 = 8 stralen, die vanuit het centrum door de Apocalypse schijnen, zichtbaar, waarbij de 8ste straal eigenlijk geen tijdstraal is, maar een doorkijk naar de eeuwigheid. De 8ste straal staat ervoor , vrij naar van Egmond, dat zonder de zegening van God de nieuwe cyclus niet kan beginnen.

Verder is de kolommen opbouw in de oorspronkelijke Griekse tekst, zoals onder andere beschreven door Lohmeyer (1953), gebruikt in het onderscheiden van de innerlijke samenhang tussen de fragmenten.

Door de spiraalvormige indeling van de tekstfragmenten  van de Apocalypse wordt vanuit de positie in de spiraal al een deel van de betekenis van het tekstbeeld onthuld.

Wat is bekend van de schrijver van de Apocalypse?

De schrijver van de Apocalypse maakt zich bekend als Johannes. Hoewel niet alle schrijvers de mening delen, is toch vanaf het vroegste christendom een grote meerderheid (zie o.a. Bock, 1982; Schult, 1976) het erover eens dat de schrijver van de Apocalypse dezelfde is als de evangelist Johannes ‘die Jezus liefhad’. Johannes duidt zichzelf met die naam aan vanaf het moment dat Jezus Lazarus heeft opgewekt uit de dood. Sommigen zien hierin een aanwijzing dat de geest van Johannes de Doper vanaf dat moment in de discipel en Apocalypse schrijver werkzaam is (o.a. Von Halle , 2017).

Johannes was als enige van de twaalf discipelen aanwezig bij de kruisiging van Jezus. Na de kruisiging en opstanding werkte hij met de discipelen Petrus en Jacobus aan de verspreiding van het evangelie. Hij vestigde zich na het jaar 67, dus na het overlijden van Jezus’ moeder Maria en de martelaarsdood van Paulus, in Efeze om daar het werk van Paulus voort te zetten. De rudimenten van de gemeenschap van christelijke Joden in Efeze zijn ook nu nog volop aanwezig. De oude Johannes werd tijdens de vervolgingen onder keizer Domitianus (81-96) in Efeze gevangen genomen, overgebracht naar Rome voor verhoor en marteling en verbannen naar het eiland Pathos. Tijdens zijn gevangenschap kreeg hij zijn openbaring. Het eilandje Patmos is nu feitelijk in handen van de Grieks-Orthodoxe kerk die er tientallen kloosters, kerken en kapellen heeft gebouwd. Ook om de grot waar Johannes zijn openbaringen kreeg is een intiem kerkje gebouwd, dat dagelijks kan worden bezocht.

De grot van Johannes op Patmos en de door een hek afgeschermde ronding in muur waar hij zijn hoofd te ruste zou hebben gelegd en zijn visioenen kreeg.

Volgens de overlevering (Bournis, 1988) dicteerde Johannes zijn openbaring in deze grot aan zijn leerling Prochorus. Na de dood van Domitianus in 96 keerde Johannes terug naar Efeze waar hij op de zeer hoge leeftijd van ongeveer 100 jaar overleed tijdens de regering van keizer Trajanus.

Volgens Steiner (1911-1912) is Johannes de evangelist in een later leven terug gekomen als Christian Rosencreutz, de grondlegger van de Rozenkruiserstroming die een christelijke inwijdingsweg biedt voor de moderne mens.

Wat is er bijzonder aan het getal 7?

Getal van de tijd 

Het getal zeven is het getal van de tijd. Elke ontwikkeling gebeurt in zeven stappen. Al het mogelijke is naar het getal zeven (3 + 4) geordend. De zeven verwijst naar de overgang van de goddelijke wereld (getal 3) naar de materiële wereld (getal 4). De 7 is in de Apocalypse belangrijker dan het twaalftal (3 x 4), dat het getal van de ruimte is. Het alfabet kent 7 klinkers als scheppende krachten, waaronder de Griekse alfa en omega. Ook kleuren en tonen zijn uit het zevental samengesteld. De 7 bepaalt de orde en de inspiratie die leeft in het wereld Al. Je moet leren om in het zevental te leven zodat je de inspiratie gaat begrijpen en vanuit elk punt in de tijd aan de hand van veelvouden van zeven de gebeurtenissen verklarend kan vervolgen. Ook mensengemeenschappen kennen slechts 7 nuances (Steiner, 1924). Daarom worden zeven brieven aan de zeven gemeenten van de Apocalypse gestuurd. Meer gemeenschapsvormen zijn er niet.

Getal van de dynamische voltooiing

Zeven is ook het symbool voor het voltooien van een bepaalde ontwikkeling of cyclus. Zo is bij de zeven scheppingsdagen de zevende de rustdag. Dan is het werk voltooid. Echter, als op de zevende dag de Heilige niet aanwezig is, en alles zegent, kan de nieuwe cyclus niet beginnen.  Op deze website is dit moment van zegening als achtste afgebeeld, het betreft de tekstfragmenten in de Apocalyps die volgen op het einde (7) van een cyclus en voorafgaan aan het begin (1) van de volgende. Even is er geen tijd maar eeuwigheid en oneindigheid, waarvan het teken de liggende acht is. Zeven staat voor een dynamische volheid van een manifestatiecyclus, in tegenstelling tot drie dat voor een onveranderlijke volheid staat die altijd werkzaam is. (Haich, 1960; Egmond, 1994-1995)

De dagen van de week

Maar het zevental komt ook terug in ons dagelijkse leven in de vorm van de dagen van de week. De namen van de zeven dagen van de week hebben een esoterische herkomst die een buitenstaander niet makkelijk zal herkennen. Dit temeer omdat we gewend zijn Zondag als rustdag te zien en de Maandag als het begin van de week, het begin van de cyclus, dag1.  Een andere rangschikking werpt echter licht op een verhevener ordening. De esoterische ordening begint met de Zaterdag. Zaterdag is vernoemd naar de planeet Saturnus, die vroeger werd gezien als de buitenste planeet van ons zonnestelsel. Dan volgen de Zondag en de Maandag. Deze drie dagen herinneren aan zeer oude tijden die zijn voorafgegaan aan de huidige vorm van ons zonnestelsel. Deze oude voorlopers van ons huidige zonnestelsel worden, bijvoorbeeld in de theosofie en antroposofie, aangeduid als respectievelijk Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan. Bij de Oude Saturnus was de materie niet verder verdicht dan tot warmte en waren zon en planeten, met uitzondering van een buitenste ‘planeet’ -Saturnus-, nog met elkaar verenigd in één grote warmte ’bol’. Dan verdwijnt deze schepping. Er is dan één uit- en inademing van Brahman geweest, aldus het hindoeïsme. Dan komt er een nieuwe uitademing waarbij uit de warmte licht en lucht zich verdichten. Uit het zonnecentrum zonderen zich nu twee ‘planeten’ af, voorlopers van Saturnus en Jupiter. De aarde blijft nog verenigd met het stralende zonnecentrum. Dit is de tweede schepping van aarde en zonnestelsel, genaamd Oude Zon. Weer verdwijnt alles in het ongevormde tot Brahman in een derde uitademing de derde schepping van aarde en zonnestelsel volbrengt, die van de Oude Maan. De materie verdicht zich hier verder tot vloeistof, tot een soort plantenbrei. In deze fase splitsen zich van de centrale zon weer delen af, diverse planeten en nu ook de Aarde die echter nog verenigd blijft met de Maan. Dat zijn de drie voorliggende scheppingsfasen van onze planeet die we in de namen van de weekdagen terug vinden. Vervolgens verdwijnt alles opnieuw om bij de vierde schepping van aarde en zonnestelsel getransformeerd weer tevoorschijn te komen. Nu ontstaat de huidige vaste Aarde, met daarvan afgescheiden de Maan. Hierbij worden twee bewegingen in de tijd onderscheiden: een afdalende verdichtende en een opstijgende vergeestelijkende beweging, uitgedrukt in de namen van de dichtst bij de aarde staande planeten. We zijn sinds het jaar 0 voorbij het midden en begonnen aan de opstijgende beweging. De dichtst bij de aarde staande buitenplaneet is Mars representeert de verdichtende beweging, terug te vinden in het Franse Mardi, Marsdag, onze Dinsdag. De dichtst bij de aarde staande binnenplaneet is Venus. Je zou verwachten na Mardi, de Venusdag te krijgen, maar de naam Venus is in het  verleden door de occultisten, aldus Steiner, verruild met de naam Mercurius om niet-ingewijden op een dwaalspoor te brengen. Onze Woensdag heet in het Frans weliswaar Mercredi, Mercuriusdag, maar daarmee wordt eigenlijk de planeet Venus bedoeld. Mars en Venus staan samen voor de huidige fase van de vaste of vierde scheppingsfase en voor onze planeet Aarde. De vierde vaste fase wordt opgevolgd door nog drie fasen, waarna de schepping van de mens is voltooid en de rol van de aarde is volbracht. Ook in de grote ontwikkelstappen van aarde en zonnestelsel regeert het getal 7. De vijfde scheppingsfase heet de Jupiter fase. Dan zal de aarde niet meer vast zijn en de meest verdichtte toestand niet verder gaan dan het vloeibare. In het Frans heet de donderdag Jeudi, naar Jupiterdag. En de zesde fase van de daarop volgende aarde heet de Venus aarde, een nog slechts uit lucht en licht bestaande aarde. In het Frans correspondeert Vendredi met Venusdag, maar daarvoor moeten we dus eigenlijk Mercuriusdag lezen, de planeet die het dichtst bij de zon staat. De zevende fase van de aarde valt dan buiten het bestek van de namen van de weekdagen volgens deze opbouw, en heet de Vulcanus fase waarin de verdichting niet verder dan tot warmte gaat. Vulcanusdag valt samen met Saturnusdag. Zo zijn de namen van de weekdagen verbonden met grote esoterische geheimen over de macro evolutie van aarde en mens. (Steiner, 1908; Zoeteman, 1989)

De scheppingscyclus en de getallen 1 tot 7

Het bijzondere van het getal zeven, dat de ontwikkelingen in de tijd regeert, kan verder niet goed begrepen worden zonder daarbij de werkingen van de aan het getal zeven voorafgaande getallen te betrekken. De getallen 1 tot 7 ontvouwen gezamenlijk de scheppingscyclus, zoals het voorbeeld van de namen van de weekdagen al toonde. Laten we dit nader bezien.

Getal 1

De schepping in een nieuwe cyclus begint met het getal 1. In het Hebreeuws komt de getalswaarde 1 toe aan de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, de Aleph, die de betekenis heeft van ‘oerleven’, de eenheid met het goddelijke leven. Het getal 1 staat daarmee in verbinding met het mannelijk actieve, het vaderlijk stralende van het goddelijk zonnewezen en het duidt aan dat de tijd is geboren. In de zendbrief aan de gemeente te Epheze klinkt dat beginnen van de tijd door in de aanduiding: Zo spreekt die houdt de zeven sterren in zijn rechterhand, die wandelt tussen de zeven kandelaars. Maar dan volgt later de vermaning: Ik heb tegen je dat je je eerste liefde heb opgegeven. En de brief sluit af met de belofte: Wie overwint zal ik te eten geven van de levensboom die in het paradijs Gods is. Bij het slot zijn we weer terug in de eeuwigheid van het paradijs.  Epheze had een oude wijsheidscultuur met de mysterieschool van de godin Diana waar vroeger de mens zichzelf geborgen wist in God. Hier groeiden de boom van de kennis en de levensboom van de liefde evenwaardig. Maar bij deze eerste fase begint de op kennis gerichte zielekracht te domineren over de stralende liefdeskracht van de levensboom. Hier begint de val in de materie. De mens is niet langer geheel doorpulst van de liefde die van God uitstroomt omdat hij zichzelf en de natuur als onafhankelijk van God begint te beleven. De brief aan Epheze herinnert aan de eenheid die verloren is gegaan en roept op daar weer naar terug te keren. Overal waar een tijdkring begint, een nieuw initiatief geboren wordt uit de schoot van moeder natuur, wordt de problematiek van Epheze opnieuw beleefd, aldus Schult (1976). Het staat voor het verlangen naar de eenheid met de bron waar men uit is gebroken. Dit verlangen was het sterkst aanwezig ten tijde van de Indische cultuurperiode (ca. 8.000-6.000 v.Chr.) waarvan restanten zijn te vinden in de Veda’s. En nog leeft het sterk in India.


Getal 2

Het getal 2 verwijst naar de tweede Hebreeuwse letter Beth, die ‘huis’ betekent, huis van de geest. Het huis voor de zonnegeest is de ziel, het vrouwelijk passieve dat het goddelijke zonnewezen ontvangt. De Egyptische inwijdingskennis is nog terug te vinden in de eerste  Tarotbeelden. Heet de Tarot kaart die bij het getal 1 hoort Osiris (de magiër), bij de tweede kaart hoort Isis, de goddelijke moederwijsheid (de hogepriesteres), de maangodin.  In de tweede brief aan de gemeente Smyrna komt deze polariteit van zon en maan ook tot uitdrukking. Na de sprong in de materie verschijnt de dood als tegenpool van het stralende zonneleven.  Zie , de duivel zal enigen van jullie in de gevangenis werpen, opdat jullie beproefd worden. Met de duivel/satan, de beproevende tegenkracht, doet de dood zijn intrede. We zien hier het strijdtoneel verschijnen in de menselijke ziel, een strijd tussen licht en duisternis. De duisternis in de menselijk ziel moet overwonnen worden om zijn geestkracht te behouden, anders loopt de mens het gevaar zijn geestkern te verliezen. De loutering van de menselijk ziel om de op zichzelf gerichte driften te overwinnen neemt hier een aanvang.  En dat is echt een zaak van leven of dood. Want de fysieke dood kan ons het stoffelijke lichaam afnemen maar erger is als ons hogere wezensdeel, onze ziel, verloren gaat. Dat noemt de Apocalypse de tweede dood. In deze tweede fase van de zevengelede tijdscyclus worden de schaduwen zichtbaar die een uit het licht geboren initiatief bedreigen nu dit dieper in de stoffelijke werkelijkheid afdaalt. Het vraagt moed om voor die bedreigingen van het ‘huis voor de geestimpuls’ niet weg te lopen, maar bereid te zijn ze aan te gaan. Een initiatief ontgroeit de babyfase en wordt beproefd op zijn eigenheid. In de oude Perzische cultuur (ca 4.000-2.000 v.Chr.) is deze strijd tussen licht en duisternis (Ormuzd en Ahriman) ook intens beleefd en deze klonk later door in de religie van Zarathustra en de Romeinse Mithrasmysteriën.

Getal 3

Het getal 3 staat voor de versmelting tussen de goddelijke Vader en Moeder en de daaruit verwekte goddelijke Zoon, het derde aspect van de godheid (Haich, 1960). Het is het getal van de derde Hebreeuwse letter Gamel die ‘heilig huwelijk’ betekent. De 3 is neutraal en daarmee middelaar tussen God en wereld, licht en duisternis. Volgens de Pythagoreërs klinken in het getal 3 de toon van de Zon, van de Maan en van de Aarde. (Steiner, 1906-1909). De derde Tarot kaart heet Horus, de goddelijke Logos die het Al beheerst, de zoon van Osiris en Isis. Hij wordt getoond als de Horusvalk met de koninklijke heerseres. Horus is het voorchristelijk zinnebeeld van de zoon van God. De 3 is het getal behorend bij de gemeente Pergamon, de leidende kunststad van Klein-Azië met een wereldberoemde bibliotheek en het helende bad van het heiligdom van Asclepios. Tegelijk is Pergamon een mondaine stad waar de cultuur decadent is geworden en het zelfzuchtig genieten de boventoon is gaan voeren. Ik weet waar je woont, waar satans troon is. Het monumentale altaar van Zeus in Pergamon vertegenwoordigde een cultuur en religiositeit die zwart-magische trekken had gekregen door het zich teugelloos seksueel uitleven (Schult, 1976). Na de 2 wordt bij de 3 het gevecht tussen de aandriften in de menselijke ziel en het voedsel (manna), dat vanuit de geest in de ziel stroomt, verhevigd. Het doel bij de derde fase in de tijdcyclus is om een begin te maken met het omvormen van de ziel tot een gereinigd zelf (Manas). Maar eerst zal de mens door de ervaringen in de ziel van zichzelf bewust moeten worden. Als symbool van het Manas, het later te verwerven geest-Ik, geldt de witte steen met de nieuwe naam. Zie ik geef hem een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven. Niemand kent de naam van de ontvanger, want alleen de mens zelf kan ‘ik’ over zichzelf zeggen. Elk menselijk Ik is op weg zich te gaan ervaren als een onderdeel van het hogere Ik, het universeel menselijke. Christenen noemen dat het Christus-Ik. Dat is de belofte die de bewoner van Pergamon krijgt als hij de aanvechtingen in zijn ziel overwint, als hij de positie van Horus als middelaar tussen geest en materie gaat leren innemen. De derde gemeente is tevens symbool voor de Egyptisch-Babylonische cultuur (ca. 4.000-2.000 v.Chr.), waarin de zon in het teken van de Stier staat die wordt beheerst door Venus. Venus duidt er ook op dat in Pergamon en tijdens de Egyptische cultuur, de astrale of verstand- en gevoel-wereld dominant is, evenals bij de Keltische Druïden in Schotland. De wetenschap doet door het observeren van de sterrenhemel in deze cultuurperiode zijn intrede. Bij het getal 3 ontstaat als het midden het bewustzijn van de beide polen, maar de Ik-kracht om de weg omhoog te gaan moet bij de bevolking nog geboren worden. Bij initiatieven die in hun derde fase belanden nemen de gebeurtenissen de organisatie gemakkelijk op sleeptouw en moet een crisis worden afgewend door de eigenheid te vinden en te behouden. Daarvoor is het compromisloze tweesnijdende, scherpe zwaard van het geestelijke oordeelsvermogen van het hoger zelf (Horus, Christus, de Messias) onmisbaar. Eerst wordt dat gepraktiseerd aan de hand van opgelegde morele regels, maar in volgende fasen zullen deze teugels niet van buitenaf maar individueel van binnenuit gehanteerd gaan worden.

Het getal 4

De 4 is het getal van de minerale Aarde. We vinden de vier terug  in de vier ruimte richtingen (de kubus) en de vier elementen (noord-aarde, oost-lucht, zuid-vuur en west-water). De kubus met zijn zes vlakken en zijn inhoud verwijst al naar zijn centrale rol in de opbouw van het getal 7. (Haich, 1960) Verder treffen we de 4 aan bij de vier dieren om Gods troon en de vier temperamenten. De vier dieren om de troon (mens, stier, leeuw, adelaar) zijn deelaspecten van de 12-heid van de dierenriem en als een van de vier aspecten overheerst uit dit zich in een bepaald temperament (melancholisch-mens, flegmatisch-stier, sanguinisch-leeuw, cholerisch-adelaar). Deze vier dieraspecten zijn ook terug te vinden in de vier evangelisten. Mens: Mattheus-aards bezit, Stier: Lucas-genezingen, Leeuw: Marcus-zielsziekten, Adelaar: Johannes-ik ontwikkeling). (Steiner, 1924; Dullaart, 2004).

Bij het getal 4 wordt een grens overschreden en ontstaat iets heel nieuws. De getallen 1, 2, en 3 hebben een duidelijke onderlinge samenhang, zij vormen een gesloten geheel, een drie-eenheid. De vierde Hebreeuwse letter heet Daleth en betekent ‘poort’ of ‘deur’. De poort is het symbool voor de drempelovergang tussen de goddelijke wereld en de aardse wereld. De goddelijke drie-eenheid betreedt de door zichzelf geschapen wereld. En de positie van het getal 4 tussen de 7 getallen verraadt dat we met de 4 in het midden van de cyclus zijn beland en daarmee bij de essentie van wat in deze cyclus staat te gebeuren. En dat is de geboorte van het menselijke Ik, het zich bewust worden te staan tussen de geestelijke (innerlijke) en de materiële (uiterlijke) werelden. In de vierde Tarotkaart is dit afgebeeld als de farao of heerser die troont op een kubus die de elementen aarde, water, lucht en vuur symboliseert, terwijl de drie-eenheid die boven de vierhoek staat terug te vinden is in de beide armen en het hoofd. (Schult, 1976) De essentie van de 4 is dat het Christus principe, het Ik-principe, in de mens neerdaalt en daarmee wordt de mens tot Zoon van God. Christus als Pancreator is ook het thema van het vierde hoofdstuk van de Apocalypse. De vierde gemeente uit de Apocalypse, Thyatira, is uiterlijk een onaanzienlijke plattelandsgemeente en komt overeen met de Grieks-Romeinse cultuurperiode waarin Christus, als zonnewezen en Zoon van God, zich in Jezus belichaamt. In de vierde gemeente neemt de liefde, die in de eerste gemeente Epheze dreigde uit te doven, een nieuw begin. De goden worden in deze vierde cultuurperiode menselijk. Wat buiten de mens was komt nu in de mens. Het rijk der hemelen is nabij gekomen, is ín de mens gekomen. Wie overwint, macht zal ik hem geven over de volkeren zoals ik ze ook ontving van mijn Vader. En geven zal ik hem de morgenster.’ De morgenster kondigt een nieuwe dagenraad aan, het weer verenigd worden met de geestelijke oorsprong van de mens. Het zonne-Ik trekt binnen in het mensen-ik en geeft de mens het vermogen het midden te vinden tussen de wereld van schijn en begeerten (Venus) en de wereld van  verhardende machinekrachten (Mars). Bij initiatieven is de vierde fase er een waarin nieuwe bezieling, authenticiteit en zelfbewustzijn kunnen worden gevonden en expansie kan optreden.

Het getal 5

Het getal 5 wordt wel het getal van het Christusprincipe genoemd omdat het de vier andere aspecten (het fysieke, etherische, astrale en het lagere ik  ofwel de persoonlijkheid) in zich verenigt. Het getal 5 hoort in de Apocalypse bij het Lam, de kwintessence, het hoger zelf. Het is het getal van de mens (Steiner, 1924). In de esoterische scholing wordt het getal 5 ook het getal van het boze genoemd, omdat het altijd in oppositie komt met het getal 4. Het getal 5 verzet zich tegen de 4 en er volgen later grote beslissingen die onder het getal 6 leiden tot een keuze voor het goede of het kwade. Het getal 5 verwijst naar de vijfde Apocalypse gemeente Sardes, die daarom ook de plaats van het gevaar wordt genoemd. Kan de nieuwe kiem van het hoger Zelf, die in de vierde fase in de mens is gelegd, opbloeien en behouden blijven? In het Hebreeuwse alfabet is de vijfde letter He, die als betekenis heeft de ‘uitademing’ van God. Deze goddelijke adem, deze prana, draagt de mens in zich en verenigt hem met God. De vijfde Tarotkaart heet de hogepriester. De hogepriester is de overbrenger en wekker van de adem die God Adam inblies. De hogepriester draagt in zijn hand de sleutel en opent als hiërofant voor de leerling de geheimen die verborgen zijn voor de mens die aan de zintuiglijke waarneming is gebonden. (Schult, 1976) Het vijfde hoofdstuk van de Apocalypse beschrijft het visioen van het Lam en het zevenvoudig verzegelde boek, en daarmee de ware hogepriester, die de goddelijk adem in alle mensen opnieuw belevendigt. Dat Sardes een plaats van gevaar is blijkt ook uit de opbouw van de brief aan deze gemeente, die niet begint met een loftuiting maar direct met een vermaning. Ik weet je werken, dat je de naam hebt dat je leeft, en je bent dood. Tot aan de vierde Grieks-Romeinse cultuurperiode hielden levens- en doodskrachten elkaar in balans, maar de volgende drie cultuurperioden nemen de doodskrachten de overhand (Schult, 1976), te beginnen in de vijfde, de huidige Germaans-Angelsaksische cultuurperiode. De ontwikkeling van het intellect en de individualisering binden de mens steeds sterker aan de uiterlijke wereld. Daardoor worden de geestelijke levenskrachten steeds zwakker. Dat resulteert in het oordeel: Ik heb je werken niet volwaardig bevonden voor mijn God. Maar in de vijfde fase is er ook een nieuw hoopgevend verschijnsel. Dat zijn zij die wel hun driftleven gereinigd hebben. Uit de gereinigde ziel vormt zich de geestziel, het Manas. In de Apocalypse worden deze mensen van de nieuwe tijd welkom geheten. Zij zullen met mij wandelen in witte gewaden, want zij zijn het waard… En nimmer zal ik hun naam verwijderen uit het boek van het leven. Het witte gewaad is het apocalyptische teken van de geboorte van het hoger zelf in de mens, het vijfde wezensdeel van de mens. Bij organisaties en initiatieven wordt de vijfde fase gekenmerkt door het bevechten van het behoud van de eigen roeping, het geestelijk unieke dat dit initiatief aan de samenleving heeft toe te voegen. Vaak uit dit zich in een ogenschijnlijke keus tussen ‘missie en money’. Wanneer het succes van het geld verdienen de oorspronkelijke inspiratie en idealen doet verbleken, zegevieren de tegenkrachten echter alsnog, en is er een terugval naar de wereld van Pergamon. Het geestelijk stralende Ik is dan uitgedoofd en het materiële succes, de surrogaat liefde en de extase door drugs, moeten de innerlijke leegte doen vergeten. In de Sardes periode zijn de machtsmiddelen en verleidingen geraffineerder en groter dan in de Pergamon tijd. Het vraagt meer wakkerheid en onderscheidingsvermogen om de eigenheid te bewaren als mens en als organisatie.

Het getal 6

De zesde Tarotkaart heet verzoeking of beslissing. De beslissing gaat tussen zinnelijke lust of vrede van de ziel. We zijn beland bij een hogere vorm van de tegenstelling licht-duister en geest-materie, die we in Smyrna tegen kwamen. Nu is de mens zover dat hij de tegenstelling vanuit zelfbewustzijn kan overbruggen door de hogere liefde. De zesde letter in het Hebreeuwse alfabet is de Waw die haak betekent, naar de vorm van de letter, maar de letter beeldde oorspronkelijk een ‘slang’ uit. De slang was in het oude Egypte een teken voor de ingewijde, maar duidde tegelijk op  begeerten en sekse. In het woord zes (six, sechs) zit ook een verwijzing naar seks. Bij zes gaat het om de beslissing, de scheiding tussen zinnelijke en hemelse liefde. Het zesde hoofdstuk van de Apocalypse begint met het Lam dat de eerste zes zegels van het boek opent. Hier begint het pad van de inwijding. Zie ik heb een deur voor je geopend die niemand kan sluiten. Tegelijk is deze deur een verwijzing naar het getal 4, de letter Daleth die zoals we zagen deur of poort betekende. De deur is het Ik van de mens dat zich openstelt voor het goddelijke. De zesde brief wordt gestuurd aan de gemeente Philadelphia die in de tijd waarin de Apocalypse werd geschreven  veelvuldig werd geplaagd door dood en verderf zaaiende aardbevingen. De hiermee aangeduide toekomstige (Slavische) cultuurperiode zal zich in het huidige millennium gaan ontvouwen en duren tot ca. 4.000. Philadelphia heeft zijn naam te danken aan de stichter koning Attalos Philadelphos (200-138 v.Chr.). Deze naam betekent broederliefde, wat in verband stond met de liefde die de koning voelde voor zijn broer Eumenes II.  De christelijke gemeente in Philadelphia ontvouwde het wezen van het christendom het meest volkomen (Schult, 1976). Is de loutering van het denken door het ontwaken van het hogere bewustzijn het hoofdthema in Sardes, in Philadelphia staat centraal de loutering van het voelen door het levendig worden van de goddelijke liefde. De beslissing die in de zesde fase van een initiatief gaat vallen vergt strijd op leven en dood. Strijd over het voortbestaan van het initiatief zoals dit bedoeld was. Het is te vergelijken met de cliffhanger in een filmscript waarbij de held en de antiheld het tenslotte in een eindgevecht tegen elkaar opnemen en één van de twee het met de dood moet bekopen. Daarbij komen alle duistere krachten met hun raffinement en macht tot gelding om angst en illusies te zaaien. Alleen onderscheidingsvermogen, moed en onbaatzuchtige liefde brengen de overwinning. Omdat je bewaarde mijn vermanend woord, geduldig te zijn net als ik, zo zal ook ik jou bewaren in het uur van de verzoeking. Al geeft de zesde fase van Philadelphia het vooruitzicht op het deelnemen aan de volgende ontwikkelingsfase, het is tegelijk de beslissende fase waarin de mens en zijn initiatief het diepst verzocht worden en de goeden van de kwaden worden gescheiden. Schult (1976) merkt als voorlopers van de Philadelphia mens bijvoorbeeld aan Jeanne d’Arc, Christiaan Rozenkreutz, Giovanni Pico della Mirandola, Paracelsus, Johannes Kepler, Jakob Böhme, Fra Angelico, Raffael en Michelangelo.

Het getal 7

Bij het getal zeven komt de cyclus tot een einde. Nadat het Ik in de 4de fase als kiem is ingedaald heeft in de drie volgende fasen zijn gistende werking steeds dieper gaande gevolgen. Eerst is het denken omgevormd waardoor uit de driftmatige ziel de gereinigde ziel, het Manas of het hoger Ik, is gevormd in de Sardes periode. De mens is wijs geworden door kennis en liefde met elkaar te verbinden. Bij de Philadelphia periode is het Ik doorademd met de goddelijke liefde en is de levenskracht door het Ik omgevormd tot het Buddhi, de levensgeest. Nu kan de wijze en onbaatzuchtige mens ook instrument worden voor de goddelijke levenskracht en oorzaken van ziekte helpen genezen. En in de zevende gemeente van Laodicea wordt de wil van de mens gelouterd tot Atman, tot universele dienstbaarheid aan het volbrengen van het goddelijke doel in de schepping. De wil werkt door tot in het stoffelijke bestaan. Hierop duidt ook de zevende letter van het Hebreeuwse alfabet, de Zajin, aldus Schult (1976). Zajin betekent ‘pijl’, de pijl van de geest waarmee het centrum van het bestaan wordt getroffen. De goddelijke vonk in de mens gaat versmelten met het goddelijke centrum van de wereld. De zevende kaart van de Tarot die de ‘triomfwagen’ laat zien, duidt eveneens op de triomf van de geest. God voert zijn schepping in triomf de volkomenheid tegemoet. De triomfwagen  wordt getrokken door een witte en een zwarte sfinx. De goede én de boze machten moeten de verwerkelijking van Gods wereldplan dienen. Binnen de Apocalypse is er een relatie met het zevende hoofdstuk waar de zonne-aartsengel Michael bij het ontsluiten van het zevende zegel de 12 x 12.000 verzegelden toont. Zij worden naar de eindbestemming gevoerd. Wie overwint, ik zal hem nodigen met mij te zitten op mijn troon, net zoals ik heb overwonnen en mijn plaats gevonden heb bij mijn Vader, op zijn troon. Maar ook de zevende fase heeft een keerzijde zoals de gemeente in Laodicea laat zien. In de zevende fase waarin geen dramatisch nieuwe beslissingen vallen, maar de in de zesde fase voltrokken scheidingen hun uitwerking krijgen, klinken vermanende woorden aan  hen die zich comfortabel op de goede weg wanen. Laodicea, het tegenwoordige Pammukale,  is een binnenlands gelegen en nog steeds in gebruik zijnde welvarende badplaats met kalkhoudende warmwaterbronnen. Hier laafden de rijken zich graag aan het comfort. Tevens is het een bank- en (wol) industriestad. Daar werd de beeldspraak in de Apocalypse op afgestemd.  Ik weet je werken, dat je noch koud bent, noch warm. Ach, was je maar koud of warm! Zo dan, omdat je lauw bent, en noch koud, noch warm, zal ik je uitspuwen uit mijn mond! Want je zegt: rijk ben ik, en ik heb me verrijkt, en niets heb ik verder nodig; en je weet het niet: je bent er ellendig en jammerlijk aan toe, en arm, en blind, en naakt; zo raad ik je: Koop van mij goud, in het vuur gelouterd, opdat je rijk mag worden, en een wit gewaad, om je mee te omhullen…Zo beijver je en keer je neigingen om! Laodicea is de spiegel van de laatste grote cultuurperiode van ca 4.000-6.000, waaraan de naam Amerikaanse cultuur is gegeven. Daarmee zal het zogenaamde Na-atlantische tijdperk ten einde lopen. Initiatieven zullen in de zevende fase net als de christengemeente in Ladicea een uitgebluste indruk maken. Het vuur van de begeestering voor het hooghouden van missie en morele waarden is uitgebrand. Men vervalt tot oppervlakkigheid, burgerlijkheid, atheïsme en zelfgenoegzaamheid. De oproep aan de gemeente te Laodicea is om te komen tot een loutering van de wil en zo de geestkracht tot in het fysieke lichaam, tot in de dagelijkse gang van zaken van elk initiatief, te brengen.